Skip to content

Disciplinaire bevoegdheid

NOTA BETREFFENDE DE DISCIPLINAIRE BEVOEGDHEDEN VAN DE RADEN VAN DE ORDE DER ARTSEN

Bij de uitoefening van hun disciplinaire bevoegdheden hebben de raden van de Orde der artsen af te rekenen met heel wat onbegrip van de publieke opinie en krijgen zij heel wat hevige kritiek te verduren vanwege de betrokkenen, hetzij vanwege de disciplinair vervolgde artsen, hetzij vanwege de patiënten die bij de Orde een zaak aanhangig hebben gemaakt.

Die kritiek is vooral gericht tegen de geheime aard van de procedure.

Volgens sommige artsen kan de Orde zich op die manier onttrekken aan de controle van de openbare opinie en misbruik maken van haar bevoegdheden.

De aanklagers van hun kant, maken aan de Orde het verwijt dat zij niet op de hoogte worden gebracht van het gevolg dat aan hun klacht werd gegeven. Zij hebben de indruk dat zij verstoken blijven van informatie waarop zij recht hebben en gaan al gauw de Orde ervan verdenken bepaalde zaken in de doofpot te willen stoppen omwille van een verkeerd geïnterpreteerde beroepssolidariteit.

Om deze ernstige bezwaren te kunnen weerleggen is het onontbeerlijk terug te grijpen naar de grondbeginselen van het disciplinair recht die de basis vormen om, op het eerste gezicht betwistbare situaties, te verklaren.

I. Het disciplinair recht

Het disciplinair recht is een autonome tak van het recht met eigen principes en regels en een rechtstak die duidelijk dient te worden onderscheiden van de vele andere takken van het recht, zoals bijvoorbeeld, het burgerlijk recht, het handelsrecht, het procesrecht, het strafrecht, het strafvorderingsrecht, het sociaal recht, het fiscaal recht, het publiekrecht, het administratief recht, het internationaal recht, enz.

Alle burgers, met inbegrip van de artsen, zijn onderworpen aan de algemene takken van het recht, zoals het burgerlijk recht, het strafrecht, het sociaal recht, het fiscaal recht, enz.

Aan het disciplinair recht zijn echter enkel de burgers onderworpen die bepaalde beroepen of welbepaalde activiteiten uitoefenen.

Maar bij nader onderzoek, onder punt II, van het toepassingsveld van het tuchtrecht zal blijken, welke uitbreiding de toepassing ervan heeft genomen, zodat bijna alle burgers eraan zijn onderworpen en éénzelfde burger zelfs dikwijls aan meerdere vormen van het tuchtrecht is onderworpen.

In het algemeen is het disciplinair recht niet gecodificeerd. De principes en de regels van het disciplinair recht vormen niet het onderwerp van volledige en gedetailleerde wettelijke bepalingen maar zijn vaak het gevolg van gewoonten en gebruiken; zij worden nader omschreven en gewettigd door de doctrine (er bestaan handleidingen voor disciplinair recht) en de jurisprudentie.

Het doel van het disciplinair recht bestaat erin, in het algemeen belang, regels vast te leggen en te doen naleven met het oog op de uitoefening van bepaalde beroepen, hetzij beroepen van openbare aard, hetzij beroepen met een bijzonder belang voor de samenleving. Er bestaat eveneens een particulier disciplinair recht dat de goede werking van bepaalde sociale groepen beoogt (Van Lennep, Handboek voor het disciplinair recht en het disciplinair procesrecht, 1963,blz. 3). Het disciplinair recht heeft bijgevolg niet de directe bescherming van de particuliere belangen tot doel.

Deze bescherming berust namelijk bij het strafrecht, het burgerlijk recht en het sociaal recht waarvan de toepassing aan de gewone rechtbanken en niet aan de disciplinaire rechtsmachten wordt toevertrouwd.

De patiënten die het slachtoffer zijn van een door een arts begaan misdrijf, kunnen zich richten tot de repressieve macht (procureur des Konings, onderzoeksrechter, correctionele rechtbanken) teneinde een onderzoek en een strafvervolging te verkrijgen. Zij mogen bij die gelegenheid eveneens een schadevergoeding vragen voor de schade die zij door dit misdrijf hebben geleden.

De patiënten die het slachtoffer zijn van een door een arts begane fout of die andere moeilijkheden hebben met een arts, bijvoorbeeld inzake honoraria, kunnen zich richten tot de burgerlijke rechtbanken (vrederechter, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank).

Hun privé-belangen worden op deze wijze beschermd door het strafrecht en het burgerlijk recht.

Indien zij de raden van de Orde inlichten over de feiten waarvan zij het slachtoffer zijn geweest, betekent dit in feite dat zij wensen dat de raad van de Orde een betere uitoefening van het beroep zou waarborgen en dat de feiten waarvan zij het slachtoffer zijn geweest, disciplinair zouden worden beteugeld. Maar zelfs indien deze sanctie hen een morele voldoening schenkt, betekent zij geen rechtstreekse bescherming van hun individuele belangen.

Wij zullen trouwens zien dat de grondbeginselen van het strafrecht, het burgerlijk recht en het disciplinair recht grondig verschillen en geen aanleiding kunnen geven tot de gelijkstelling van de voor de drie onderscheiden gebieden te volgen procedure.

Anderzijds is het juist door dit verschil tussen de bedoelingen van het strafrecht, het burgerlijk recht en het disciplinair recht dat het mogelijk is voor éénzelfde feit, de penale, burgerlijke en disciplinaire sancties te cumuleren.

II. Toepassingsgebied van het disciplinair recht

Het disciplinair recht heeft een uitgestrekt toepassingsgebied dat bovendien onophoudelijk uitbreidt ingevolge de toenemende organisatie van beroepen en mensengroepen. Ontelbare organismen oefenen disciplinaire bevoegdheden uit die analoog zijn met die van de Orde en dit onder gelijkaardige voorwaarden en volgens een volledig gelijke procedure.

III. Beginselen en regels van disciplinair recht

Wij zullen het hier enkel hebben over de beginselen en de regels die eigen zijn aan het disciplinair recht en die het tot een onafhankelijke tak van het recht doen uitgroeien.

1 Inbreuken en disciplinaire sancties:

Er dient in de eerste plaats te worden op gewezen dat het strafrecht beheerst wordt door het principe van de wettelijkheid van misdrijven en straffen.

Dit principe betekent dat geen enkel feit als misdrijf kan worden beschouwd tenzij het als dusdanig in het wet wordt omschreven; het spreekwoord luidt "nullum crimen sine lege".

Een rechter kan dus bijgevolg geen enkel feit, hoe afschuwelijk ook, als een misdrijf beschouwen als het niet voorkomt in de definitie van de door de wet gestrafte misdrijven.

De wettelijkheid van de straffen betekent dat de rechter slechts de in de wet voorziene straffen mag opleggen en dit vanuit een dubbel standpunt : enerzijds, mag hij slechts de in de wet opgesomde straffen uitspreken, en kan hij geen straf "uitvinden", en anderzijds mag hij, voor wat de in de wet voorziene straffen betreft, voor een welomschreven misdrijf slechts de straffen toepassen die uitdrukkelijk voor dit misdrijf zijn voorzien.

Deze principes zijn niet van toepassing in het disciplinair recht aangezien in dit recht geen omschrijving kan worden gegeven van alle mogelijke disciplinaire fouten.

Een feit kan dus als een disciplinaire inbreuk worden beschouwd ook al wordt het niet uitdrukkelijk in het disciplinair recht voorzien.

Het disciplinair recht is trouwens over het algemeen niet gecodificeerd. Er wordt enkel voorzien dat de feiten die een inbreuk betekenen op de eer en de waardigheid van het beroep mogen worden gestraft. De tuchtrechter oordeelt dus vrij welke deze feiten uitmaken.

Maar zelfs als er een code bestaat, is het disciplinair recht niet limitatief. De rechter mag oordelen dat een bepaald feit een disciplinaire inbreuk is zelfs als dit niet uitdrukkelijk in de disciplinaire code is voorzien.

Nochtans mag de tuchtrechter, in principe, alleen de sancties opleggen die uitdrukkelijk zijn bepaald; maar hij oordeelt vrij welke sanctie op een bepaalde fout moet worden opgelegd.

2 Bewijsvoering:

In strafzaken, berust de bewijsvoering van de ten laste gelegde inbreuken bij het openbaar ministerie (procureur des Konings). De beklaagde mag zwijgen of zelfs de feiten ontkennen. Hij is niet verplicht te erkennen dat hij een bepaald feit heeft gepleegd.

Alhoewel deze regel streng wordt toegepast, wordt hij gecompenseerd door de uitgebreide machten van de repressieve autoriteiten (bevel tot huiszoeking, aanhoudingsbevel, inbeslagneming, enz...).

In burgerlijke zaken, berust de bewijsvoering van de gegrondheid van de actie tegen de verweerder, bij de eiser. Indien hij de vereiste bewijzen niet kan leveren (naargelang het geval, geschriften, getuigenissen, vermoedens), verliest hij zijn proces.

In tuchtzaken, geldt eveneens het principe dat de disciplinaire fout moet worden bewezen tegen diegene die wordt vervolgd.

De draagwijdte van dit principe is hier echter uiterst beperkt door de regel luidens dewelke de rechtsonderhorige de plicht heeft mee te werken aan het onderzoek. Hij is de waarheid verschuldigd aan zijn gelijken, voor wie hij moet verschijnen. Hij mag noch zwijgen, noch bepaalde feiten verzwijgen.

Het verzwijgen of het verhelen van de waarheid als dusdanig, wordt als een disciplinaire fout beschouwd waaraan een sanctie is verbonden die verschilt van de sanctie, uitgesproken voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de vervolging.

Het spreekt bijgevolg vanzelf dat, indien het disciplinair dossier, de tekst van de uitspraak of eenvoudigweg de uitgesproken sanctie aan de strafrechter, de burgerlijke rechter of de aanklager werden medegedeeld, dit een duidelijke inbreuk zou betekenen op de rechten van de verdediging. Op die manier zou een strafrechtelijke- of burgerrechtelijke veroordeling kunnen worden gegrond op verklaringen waartoe de arts verplicht was ten opzichte van de tuchtrechter, maar waartoe hij niet gehouden was ten opzichte van de strafrechter of burgerlijke rechter.

Dit is met name de reden waarom het onmogelijk is aan de aanklager officieel de uitgesproken sanctie bekend te maken of zelfs maar mede te delen dat een sanctie werd getroffen. De aanklager zou namelijk (ter staving bijvoorbeeld, van een vordering tot verantwoordelijkheid) voor de burgerlijke rechter kunnen beweren dat de door de Orde uitgesproken sanctie bewijst dat de arts een fout heeft begaan.

In alle tuchtzaken, en meer bepaald bij gerechtelijke en politie-tuchtzaken, wordt aan de aanklager enkel medegedeeld dat aan zijn klacht het nodige gevolg zal worden of werd gegeven. In buitengewoon moeilijke gevallen kan het nodig zijn de aanklager mondeling uitleg te verschaffen en hem bijvoorbeeld mede te delen dat men ter zake streng is opgetreden, maar meer kan niet worden gedaan.

3 Het beroepsgeheim:

De arts die voor zijn gelijken verschijnt, kan het beroepsgeheim niet inroepen tenzij voor wat de vertrouwelijke mededelingen van de patiënt betreft. Hij kan het daarentegen wel inroepen voor de strafrechter of burgerlijke rechter.

Deze regel, zoals alle regels die onder de bewijsvoering werden aangehaald, is een bijkomende en beslissende reden waarom noch het dossier, noch de beslissing, aan de strafrechter, de burgerlijke rechter of de aanklager mogen worden medegedeeld.

Indien dit wel het geval zou zijn, zou dit in bepaalde gevallen ongetwijfeld een schending van het beroepsgeheim betekenen en aanleiding geven tot de nietigheid van de strafrechtelijke vervolgingen en van het burgerlijk vonnis.

4 Procedure:

De wet van 13 maart 1985 regelt de openbaarheid van de tuchtprocedures vóór de raden van beroep van de Orde. Volgens artikel 24, 1, al. 2 van het K.B. nr. 79 van 10 november 1967 houden de provinciale raden van de Orde zitting met gesloten deuren.

Orde der artsen - België
Nationale Raad