Skip to content

Code van geneeskundige plichtenleer 1975

Deze tekst is niet meer van kracht.

Sinds 3 mei 2018 geldt een nieuwe code van medische deontologie, toegankelijk onder de tab "Code".

De inhoud van de vroegere code van medische deontologie blijft beschikbaar voor documentatiedoeleinden.

TITEL IV : Verhouding tussen artsen

TITEL V »« TITEL III

Hoofdstuk I : De collegialiteit

Hoofdstuk II »
Art. 136
01/01/1975

De collegialiteit is een voorname plicht.
Zij moet beoefend worden in eerbied voor de belangen van de zieke.

Art. 137
01/01/1975

De artsen zijn elkaar steeds morele bijstand verschuldigd: het is hun plicht een ten onrechte aangevallen arts te verdedigen.
Het is verboden een collega te belasteren, van hem kwaad te spreken of geruchten te verspreiden die hem bij de uitoefening van zijn beroep kunnen benadelen.
Beroepsgeschillen mogen geen aanleiding geven tot openbare polemieken.

Art. 138
01/01/1975

Wanneer een arts uit een ambt dat hij in een openbare of privé-inrichting uitoefende wordt ontslagen of geschorst, mag een arts zijn kandidatuur slechts stellen nadat hij contact heeft opgenomen met de betrokken collega en met zijn eigen provinciale raad van de Orde.
Deze laatste zal er voor waken dat de regels van de plichtenleer worden nageleefd.

De arts die meent een wettige beweegreden te hebben om geen contact op te nemen met zijn collega moet die reden ter beoordeling aan de provinciale raad voorleggen.

Art. 139
01/01/1975

Het past in een goede collegialiteit een toevallig verhinderde collega in de mate van het mogelijke te vervangen.