Skip to content

Code van geneeskundige plichtenleer 1975

Deze tekst is niet meer van kracht.

Sinds 3 mei 2018 geldt een nieuwe code van medische deontologie, toegankelijk onder de tab "Code".

De inhoud van de vroegere code van medische deontologie blijft beschikbaar voor documentatiedoeleinden.

TITEL II : De arts ten dienste van de patiënt

TITEL III »« TITEL I

Hoofdstuk V : Beroepsgeheim van de arts

Hoofdstuk VI »« Hoofdstuk IV
Art. 55
01/01/1975

Het beroepsgeheim dat de arts moet bewaren, is van openbare orde. De door patiënten geraadpleegde of om zorgen of raad verzochte practici zijn in alle omstandigheden door het beroepsgeheim gebonden.

Art. 56
01/01/1975

Het beroepsgeheim van de arts omvat zowel al wat de patiënt hem heeft gezegd of toevertrouwd, als wat de arts weet of heeft ontdekt ten gevolge van onderzoekingen of van door hem gedane of aangevraagde navorsingen.

Art. 57
01/01/1975

Het beroepsgeheim omvat alles wat de arts heeft gezien, gehoord, vernomen, vastgesteld, ontdekt of opgevangen tijdens of bij gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep.

Art. 58
30/04/2011
> 4 vorige

Binnen uitdrukkelijk vastgelegde perken, gelden wettelijke uitzonderingen voor de hierna opgesomde gevallen. De arts moet in geweten oordelen of hij door het beroepsgeheim toch niet wordt verplicht bepaalde gegevens niet mede te delen.

a. (Gewijzigd op 20 september 2008)
Het verstrekken van inlichtingen, in het kader van de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aan de artsen-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Riziv, in zoverre die inlichtingen noodzakelijk zijn voor hun controle-opdracht en binnen de perken ervan blijven.
Het verstrekken van deze inlichtingen en het aanwenden ervan door de artsen-inspecteurs zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het beroepsgeheim.

b. Het verstrekken van inlichtingen of medische gegevens over de verzekerde, aan de artsen-adviseurs van verzekeringsinstellingen tegen ziekte en invaliditeit en binnen de perken van de medisch-sociale raadplegingen.
De arts-adviseur van een verzekeringsinstelling is, zoals elke andere arts, gebonden door het beroepsgeheim; hij moet aan die instelling uitsluitend zijn besluiten op administratief vlak mededelen.

c. De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van overdraagbare epidemische ziekten, overeenkomstig de modaliteiten en voorwaarden in de wet vastgelegd.

d. De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van geslachtsziekten, overeenkomstig de wetgeving inzake de voorkoming van deze ziekten.

e. De kennisgevingen en aangiften aan de ambtenaar van de burgerlijke stand inzake geboorten, overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

f. De afgifte van reglementaire geneeskundige getuigschriften nodig voor de aangifte van werkongevallen met vermelding van alle indicaties die rechtstreeks in verband staan met het oorzakelijk trauma.

g. Het afleveren van geneeskundige verslagen en verklaringen in uitvoering van de wettelijke voorschriften inzake de bescherming van de persoon van de geesteszieke en inzake de bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren.

h. Het afleveren van medische verslagen in uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de beroepsziekten.

i. Het afleveren van geneeskundige verklaringen in uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de landverzekeringsovereenkomsten.

j. (Toegevoegd op 22 december2007)
Het afleveren van verslagen aan de justitieassistent in uitvoering van een conventie die de justitieassistent, de patiënt en de arts bindt en afgesloten werd in het kader van een voorwaardelijke invrijheidsstelling, een voorlopige hechtenis, een uitstel van strafuitvoering, een probatiemaatregel of een bemiddeling in strafzaken.

k. (Toegevoegd op 30 april 2011)
Het verstrekken, in het kader van de wet van 31 maart 2010 betreffende de vergoeding van schade als gevolg van gezondheidszorg, aan de artsen van het Fonds voor de medische ongevallen van documenten en informatie die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun wettelijke opdracht.

Art. 59
01/01/1975

§1. De arts van het medisch schooltoezicht deelt slechts binnen de strikte perken van zijn opdracht de resultaten van zijn onderzoek mede aan de leerlingen, de ouders, de voogden van leerlingen, de arts-ambtenaar of de inrichtende overheid.
Aan de feiten die hij verneemt tijdens zijn onderzoek maar die geen uitstaans hebben met zijn opdracht, mag hij geen ruchtbaarheid geven.

§2. De arbeidsgeneesheer mag de personeelsleden van het medisch team, die zelf gebonden zijn door het beroepsgeheim, alleen van die inlichtingen in kennis stellen die noodzakelijk zijn voor het vervullen van hun opdracht.
De door de wet voorgeschreven medische steekkaart, waarmee de arbeidsgeneesheer zijn beslissing aan de werkgever meedeelt, mag geen enkele aanduiding van diagnose bevatten.

Art. 60
21/01/1995
> 1 vorige

(Gewijzigd op 21 januari 1995)

De arts is gerechtigd aan een door de bevoegde overheid aangeduide arts, alle geneeskundige gegevens mede te delen teneinde het onderzoek van pensioenaanvragen van militairen of oorlogsslachtoffers en de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake gehandicapten te vergemakkelijken.

De mededeling van deze gegevens en het gebruik ervan door de in het eerste lid vermelde artsen kan slechts gebeuren mits eerbiediging van het beroepsgeheim van de arts.

Art. 61
14/09/2013
> 2 vorige

Artikel gewijzigd op 14/09/2013 - zie memorie van toelichting advies a143002


Artikel gewijzigd op 14/09/2013 - zie memorie van toelichting advies a143002

Toelichting bij de wijziging van artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer
De wijziging van artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer heeft tot doel het artikel te actualiseren in het licht van de wijzigingen die zijn aangebracht aan artikel 458bis van het Strafwetboek en de verantwoordelijkheid van de arts in dergelijke situaties onder de aandacht te brengen.

Analoog aan artikel 458bis wordt de tekst van artikel 61 herschreven tot één paragraaf waarin men in algemene termen over "kwetsbare personen" spreekt. Aangezien ook minderjarige personen als kwetsbaar worden beschouwd, vallen zij automatisch onder de bescherming van dit artikel.

Tevens wordt er in het nieuwe artikel 61 niet verwezen naar de patiënt, maar naar eender welke kwetsbare persoon, of hij nu patiënt is of niet.

Hierdoor krijgt de arts ook de mogelijkheid iets te doen wanneer de patiënt dader is van het misdrijf. (zie Advies van de Nationale Raad van de Orde van geneesheren "Beroepsgeheim - Ontwerp tot wijziging van artikel 458bis van het Strafwetboek", van 17 september 2011, TNR 135)

Het toepassingsgebied van artikel 61 vermeldt in de nieuwe versie ook belaging en uitbuiting als een reden om te melden. Met belaging wordt bedoeld dat men door een persoon op zodanige wijze wordt lastig gevallen dat het overlast meebrengt. De kwetsbare persoon wordt met andere woorden tot wanhoop gedreven door het onophoudelijk en opzettelijk achtervolgen en lastigvallen. De invulling komt overeen met de invulling van het begrip belaging zoals bedoeld in artikel 442bis van het Strafwetboek.

Met deze toevoeging en de algemene bewoordingen "misbruik, mishandeling en verwaarlozing" gaat artikel 61 van de Code verder dan de limitatief opgesomde misdrijven in artikel 458bis van het Strafwetboek waarvoor een arts kan beslissen te melden.

De basis op grond waarvan een arts kan beslissen zijn beroepsgeheim te laten varen, blijft evenwel de "noodtoestand" waarbij hij van geval tot geval het respect voor het beroepsgeheim dient af te wegen tegen zijn verplichting een persoon in groot gevaar te beschermen. Hij toont aldus zijn verantwoordelijkheid in de bescherming van kwetsbare personen in de maatschappij 1.

De verschillende onderdelen van artikel 61 in de versie van 2002 blijven tenslotte behouden, maar worden in elkaar geschoven zodat het artikel een logische opbouw krijgt.

1Cf. oa1712 : meldpunt geweld, misbruik en kindermishandeling van de Vlaamse Overheid (www.1712.be)

 

(Gewijzigd op 14 september 2013)

Als een arts vermoedt dat een kwetsbaar persoon mishandeld, misbruikt, uitgebuit, belaagd of verwaarloosd wordt, dient hij onmiddellijk het nodige te doen om deze persoon te beschermen.

In de mate dat de verstandelijke mogelijkheden van de kwetsbare persoon dit toelaten, bespreekt de arts in de eerste plaats zijn bevindingen met deze en spoort hij hem aan zelf de nodige initiatieven te nemen. Indien dit de belangen van deze laatste niet schaadt en deze hierin toestemt, kan hij dit met zijn naasten bespreken.

Indien de situatie het rechtvaardigt en voor zover de kwetsbare oordeelsbekwame persoon hierin toestemt, contacteert de arts een ter zake bevoegde collega of schakelt hij een specifiek voor die problematiek opgerichte multidisciplinaire voorziening in.

Indien een kwetsbaar persoon in een ernstig en dreigend gevaar verkeert of indien er ernstige aanwijzingen zijn van een gewichtig en reëel gevaar dat andere kwetsbare personen het slachtoffer worden van mishandeling of verwaarlozing en indien de arts op geen andere manier bescherming kan bieden, kan hij de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.

 

Art. 62
16/04/1994
> 1 vorige

(Gewijzigd op 16 april 1994)

Binnen de perken van volstrekte noodzaak, mag een diagnose of een inlichting van geneeskundige aard worden medegedeeld :

  1. aan de wettelijke of feitelijke vertegenwoordiger van een onbekwame of bewusteloze patiënt;

  2. aan de arts met een gerechtelijk-geneeskundig onderzoek belast, voor zover de inlichtingen beperkt blijven tot de objectieve medische gegevens die rechtstreeks verband houden met het doel van het onderzoek en de patiënt daarmee instemt;

  3. aan instellingen met een wetenschappelijke opdracht, zonder vermelding van naam;

  4. aan de artsen van het "Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing", bij de uitvoering van hun opdracht.

De in vertrouwen door een patiënt medegedeelde gegevens mogen nooit openbaar worden gemaakt.

Art. 63
01/01/1975

De voor de gerechtelijke overheid gedagvaarde arts mag weigeren getuigenis af te leggen over door het beroepsgeheim gedekte feiten, door zich te beroepen op dit beroepsgeheim.

Art. 64
01/01/1975

De verklaring van een zieke waarbij hij de arts van zijn zwijgplicht ontheft, volstaat niet om de arts van zijn verplichting te ontslaan.

Art. 65
01/01/1975

De dood van een zieke ontheft de arts niet van zijn beroepsgeheim. De erfgenamen kunnen hem er evenmin van ontslaan of erover beschikken.

Art. 66
14/09/2013
> 1 vorige

Artikel gewijzigd op 14/09/2013 - zie memorie van toelichting advies a143015


Artikel gewijzigd op 14/09/2013 - zie memorie van toelichting advies a143015

Memorie van toelichting bij de wijziging van het artikel 66 van de Code van geneeskundige plichtenleer van 14 september 2013

De Nationale Raad brengt de rol van een arts afgevaardigd door zijn provinciale raad bij een inbeslagname of bij een huiszoeking, in herinnering.

Wanneer de onderzoeksrechter of, bij op heterdaad betrapte misdrijven de procureur des Konings, stukken met gegevens die de gezondheid betreffen in beslag neemt, zorgt de afgevaardigde van de provinciale raad van de Orde ervoor dat de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts en het medisch geheim gewaarborgd worden.

Hij moet de stukken die bij een huiszoeking worden aangetroffen en eventueel in beslag worden genomen, als eerste onderzoeken.

Hij vraagt ieder stuk dat geen enkel verband houdt met de zaak in kwestie te verwijderen, wanneer dit derden betreft of om elke andere reden gestaafd door de eerbiediging van het medisch geheim en de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts. Indien deze stukken niet verwijderd worden, doet hij akte nemen van zijn voorbehoud inzake de inbeslagname ervan.

De afgevaardigde van de raad van de Orde zorgt ervoor dat de in beslag genomen stukken in een verzegelde omslag worden geborgen, waarop hij zijn handtekening zet.

De afgevaardigde van de Raad van de Orde verzet zich niet tegen de huiszoeking, noch de inbeslagname van stukken. Hij laat enkel zijn voorbehoud vanuit het gezichtspunt van de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts en het medisch geheim in het verslag optekenen.

De afgevaardigde van de Raad van de Orde deelt zijn indrukken over de grond van de zaak niet mee.

Op dezelfde wijze aanvaardt hij nadien geen expertiseopdracht in hetzelfde dossier, aangezien hij tijdens de inbeslagname toegang had tot elementen die geen betrekking hebben op het voorwerp van de vervolging.

Toepassingsgevallen

A. De arts wordt verdacht

1) Overtreding buiten het medische domein.

De overtreding heeft geen betrekking op het medische domein (bv. het wederrechtelijk in bezit hebben van wapens).

In dit geval is het weinig waarschijnlijk dat er problemen m.b.t. de vertrouwensrelatie of het medisch geheim zullen ontstaan bij een huiszoeking of een inbeslagname. De taak van de bij de huiszoeking aanwezige afgevaardigde van de raad van de Orde zal bijgevolg zeer beperkt zijn.

2) Overtreding binnen het medische domein.

Wanneer de bezitter van het geheim de auteur is van een strafbaar feit gepleegd op een patiënt, kan hij het beroepsgeheim niet inroepen om deze inbreuk te dekken.

Als de in beslag te nemen zaak een element à décharge is, rechtvaardigt de verplichte eerbiediging van de rechten van de verdediging de inbeslagname ervan.

In deze veronderstelling stelt de afgevaardigde voor de stukken die geen verband hebben met de zaak in kwestie of die derden betreffen te verwijderen. Wanneer deze stukken niet verwijderd worden, brengt hij een voorbehoud uit waarvan op zijn vraag akte genomen wordt. (advies van de Nationale Raad van 20 november 1999, Huiszoeking en inbeslagname van medische documenten - Rol van de afgevaardigde van de provinciale raad, TNR nr. 87, p. 29).

B. De patiënt wordt verdacht.

De inbeslagname van medische documenten of van andere stukken die betrekking hebben op de zorg verstrekt aan deze patiënt zou de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts kunnen schaden. Deze vertrouwensrelatie is de basis van de zorgrelatie omdat ze de patiënt toelaat zaken in vertrouwen aan de arts te vertellen, wetend dat de toevertrouwde geheimen beschermd zullen zijn door het beroepsgeheim van de arts.

In dit geval verzet de afgevaardigde van de raad van de Orde zich tegen de inbeslagname, krachtens de eerbiediging van de vertrouwensrelatie en het medisch geheim.

Indien de onderzoeksrechter niettemin meent de stukken te moeten in beslag nemen, mag de afgevaardigde in het verslag doen akte geven van zijn voorbehoud, zich baserend op de eerbiediging van de vertrouwensrelatie en het beroepsgeheim.

C. De patiënt is slachtoffer en de arts wordt niet verdacht.

De afgevaardigde van de raad van de Orde brengt voorbehoud uit indien de in beslag genomen stukken geen verband hebben met het voorwerp van het onderzoek of indien ze derden betreffen.

Hij brengt ook voorbehoud uit in de hypothese dat de inbeslagname de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts zou kunnen schaden omdat de patiënt zich verzet tegen de aangifte van de feiten.

(Gewijzigd op 14 september 2013)

Bij een huiszoeking of in geval van inbeslagname door een onderzoeksrechter of, bij op heterdaad betrapte misdrijven, door de procureur des Konings van stukken met gegevens die de gezondheid betreffen, zorgt een afgevaardigde van de provinciale raad van de Orde ervoor dat de vertrouwensrelatie tussen de patiënt en de arts en het medisch geheim gewaarborgd worden.

Hij doet akte nemen van zijn voorbehoud telkens wanneer hij van mening is dat hieraan onvoldoende wordt tegemoetgekomen.

De afgevaardigde van de raad van de Orde zorgt ervoor dat de in beslag genomen stukken in een verzegelde omslag worden geborgen, waarop hij zijn handtekening zet.

Art. 67
01/01/1975

De arts heeft het recht maar is niet verplicht aan een patiënt, die hem erom verzoekt, een getuigschrift betreffende zijn gezondheidstoestand te overhandigen.
De arts mag een getuigschrift weigeren. Hij alleen beslist over de inhoud en de wenselijkheid om het aan de patiënt te overhandigen.

Wanneer een patiënt om een getuigschrift verzoekt met het oog op sociale voordelen, mag de arts hem dit getuigschrift afleveren maar moet hij het voorzichtig en discreet opstellen; hij mag dit getuigschrift, met de goedkeuring van zijn patiënt of diens naastbestaanden, zo nodig ook rechtstreeks, overhandigen aan de arts van de instelling waarvan de toekenning van bedoelde sociale voordelen afhangt.

Art. 68
22/09/1993
> 1 vorige

(Gewijzigd op 22 september 1993)

§1. Voor de uitvoering van een levensverzekeringscontract zal de arts, die het bericht van overlijden heeft ingevuld, desgevraagd een verklaring nopens de doodsoorzaak toezenden aan de met naam aangeduide adviserend arts van de verzekeraar, mits deze laatste aantoont de voorafgaande toestemming van de verzekerde daartoe te bezitten.

§2. Verklaringen nopens de omstandigheden en de oorzaak van het overlijden ten behoeve van het Fonds voor de Beroepsziekten of van de Verzekeringsmaatschappij voor Arbeidsongevallen, zullen desgevraagd aan de met naam aangeduide adviserend arts van het F.B.Z. of van de Verzekeringsmaatschappij voor Arbeidsongevallen worden toegezonden door de arts die het bericht van overlijden heeft ingevuld.

Art. 69
01/01/1975

De arts die als beschuldigde voor de Raad van de Orde verschijnt mag zich niet beroepen op de zwijgplicht, maar is de gehele waarheid verschuldigd. Hij is echter gerechtigd de vertrouwelijke mededelingen van de patiënt te verzwijgen.

De artsen die verzocht worden getuigenis af te leggen in tuchtzaken zijn, voor zover de regels van het beroepsgeheim jegens hun patiënten het toelaten, ertoe gehouden alle feiten die het onderzoek aanbelangen, bekend te maken.

Art. 70
01/01/1975

De arts zal ervoor waken dat het medisch geheim door zijn helpers dwingend wordt nageleefd.