Skip to content

Artikel

TITEL III : De arts ten dienste van de gemeenschap

Hoofdstuk IV : De arts als adviseur, controleur, deskundige of ambtenaar

Art. 125


01/01/1975

§1. De onder artikel 119 beoogde arts moet de filosofische overtuigingen en de menselijke waardigheid van de patiënt eerbiedigen.

§2. Hij moet omzichtig zijn in zijn uitspraken. Indien hij een aandoening ontdekt, brengt hij de behandelende arts ervan op de hoogte of verzoekt hij de patiënt er één te raadplegen.

§3. Hij moet zich beperken tot de voor zijn opdracht dienstige maatregelen. Hij mag mits de patiënt daarin toestemt, de voor de diagnose vereiste onderzoeksmethoden aanwenden. De patiënt mag er echter geen nadeel van ondervinden.

§4. Hij mag geen technieken of farmacodynamische middelen aanwenden met het doel een persoon van zijn vrij beschikkingsrecht te beroven om inlichtingen ten behoeve van het gerecht in te winnen.

§5. Hij moet blijk geven van bedachtzaamheid bij het opstellen van de besluiten in zijn verslag en mag slechts gegevens aanbrengen die een antwoord verstrekken op de vragen van zijn opdrachtgever.


<< Terug