Skip to content

Artikel

TITEL III : De arts ten dienste van de gemeenschap

Hoofdstuk IV : De arts als adviseur, controleur, deskundige of ambtenaar

Art. 121


01/01/1975

§1. De arts die belast is met één van de opdrachten vermeld in artikel 119 moet weigeren personen te onderzoeken met wie hij betrekkingen onderhoudt of onderhield die zijn vrijheid van oordeel zouden kunnen beïnvloeden.

§2. De onder artikel 119 bedoelde taken of functies ten opzichte van één of meer personen zijn onverenigbaar met die van behandelende arts van die personen.
De onder artikel 119 bedoelde arts mag behoudens gevallen van overmacht of opeising, niet optreden als behandelende arts vóór het verstrijken van een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het einde van zijn opdracht of functie.

§3. De arts die als raadgever van een partij is opgetreden, mag de taak van deskundige ten opzichte van die partij niet aanvaarden.

§4. Bij opeising moet de behandelende arts zijn tussenkomst beperken tot louter monsterafname indien hij zich gebonden acht door het beroepsgeheim ten opzichte van de te onderzoeken persoon en indien geen andere arts hem kan vervangen.

§5. Een arts mag niet optreden als gerechtelijk deskundige voor personen die hij reeds in een andere hoedanigheid heeft onderzocht.


<< Terug