Skip to content

Werkingskosten van de gespecialiseerde functie spoedgevallenzorg

Doc: a093002
Tijdschrift: 93 p. 4
Datum: 21/04/2001
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Werkingskosten van de gespecialiseerde functie spoedgevallenzorg

In het kader van de behandeling van een disciplinair dossier dat bij hem aanhangig werd gemaakt door de medische raad van een ziekenhuis die er zich over beklaagde dat een collega-gynecoloog geen gevolg gaf aan het verzoek tot betaling van een bijdrage voor de organisatie van de gespecialiseerde functie “spoedgevallen”, vraagt een provinciale raad of de adviezen die de Nationale Raad uitbracht in verband met de organisatie en de financiering van de algemene wachtdienst en van de medische permanentie in ziekenhuisverband ook toepasselijk zijn op de gespecialiseerde functie spoedgevallenzorg (KB van 27 april 1998) dan wel of er terzake specifieke richtlijnen gelden.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 april 2001 uw adviesaanvraag van 24 januari 2001 met betrekking tot de eventuele verplichting van artsen die niet bevoegd zijn deel te nemen aan de gespecialiseerde functie spoedgevallenzorg bij te dragen in de werkingskosten ervan.

De Nationale Raad bevestigt dat zijn in uw brief aangehaalde adviezen op de voorgelegde problematiek toepasselijk zijn. Terzake werden door de Nationale Raad geen andere richtlijnen uitgevaardigd.

De Nationale Raad kaartte bij mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, reeds het probleem aan van het opnemen in de wachtrol intensieve zorgen van artsen die hiertoe niet bevoegd zijn (Tijdschrift Nationale Raad nr. 91, maart 2001, p. 7). Naar aanleiding van deze vraag stuurt de Nationale Raad een herinneringsbrief naar de minister.

Advies van de Nationale Raad van 18 november 2000, TNR nr. 91, maart 2001, p. 7 :

Zowel artikel 9, §1, van het Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 als de artikels 113 tot 118 van de Code van geneeskundige plichtenleer ondersteunen de bepalingen van het voornoemde advies van 1985 en van de daaropvolgende. Deze beogen de continuïteit van de verzorging voor de patiënten van een arts en proberen een gepast antwoord te geven op hun dringende oproepen. Hiervoor zijn bevoegdheid en verantwoordelijkheid nodig.

De Nationale Raad is van mening dat de practicus die aanvaardt dergelijke wachtdienst te vervullen, moet beschikken over een geactualiseerde kennis van de ziektes waarmee hij er kan geconfronteerd worden. Elke verstrekking die hij in dit kader verricht, impliceert zijn aansprakelijkheid.

Wanneer een arts aan wie gevraagd wordt dergelijke wachtdienst te doen, meent dat hij niet voldoet aan de optimale bevoegdheidsvoorwaarden, dan moet hij bijgevolg een afwijking kunnen vragen aan de hoofdgeneesheer en de betrokken diensthoofden.

Deze laatsten oordelen over de ontvankelijkheid van de aanvraag en bestuderen, indien nodig, de financiële aspecten van de organisatie van een dergelijke wachtdienst.

In geval van geschil kan de provinciale raad tussenbeide komen en een verzoening voorstellen.

De Nationale Raad beslist betreffende deze problematiek volgende brief aan mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, te sturen :

Uit verschillende opmerkingen die ons meegedeeld werden door artsen die in ziekenhuizen werken, menen wij te kunnen afleiden dat de bepalingen van het Koninklijk besluit van 27 april 1998 dat de functie “spoedgevallen” van de ziekenhuizen reglementeert, sommige onregelmatigheden in de hand werken.

Een van de problemen waarop men doorgaans stuit, is de verplichting die door de beheerder aan de specialisten, zoals chirurgen, van zijn instelling opgelegd wordt om wachtdiensten in intensieve zorgen waar te nemen terwijl zij er niet bevoegd voor zijn.

Op grond hiervan stellen wij ons vragen over de relevantie van een te algemene tekst en over het risico op bepaalde afdwalingen die hij inhoudt.

Desgewenst zijn wij bereid ons standpunt toe te lichten. Ons inziens dient er een grotere overeenstemming te zijn tussen de deontologische normen inzake bevoegdheid en verantwoordelijkheid en de wettelijke bepalingen hieromtrent.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht