Skip to content

Wachtdienst - Wederzijdse taken van de provinciale geneeskundige commissies en van de provinciale raden

Doc: a100002
Tijdschrift: 100 p. 4
Datum: 01/02/2003
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Wachtdienst – Wederzijdse taken van de provinciale geneeskundige commissies en van de provinciale raden

Naar aanleiding van stakingen van wachtdiensten in de huisartsgeneeskunde vraagt de voorzitter van een provinciale geneeskundige commissie verduidelijking bij de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen (B.S. 6 februari 1999) meer bepaald wat de nieuwe bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies inzake de wachtdiensten betreft (artikel 189 van de Sociale Programmawet tot wijziging van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967). In zijn aanbeveling aan de provinciale raden van 19 juni 1999 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 86, december 1999, p. 13) pleit de Nationale Raad voor een "trapsgewijze aanpak" waarbij de provinciale raad, conform artikel 117 van de Code van geneeskundige plichtenleer, "in eerste instantie de inzake wachtdiensten ontstane geschillen zou trachten op te lossen en dat slechts in geval van onmogelijkheid hiertoe de provinciale geneeskundige commissie zou worden ingeschakeld".
De betrokken provinciale geneeskundige commissie vraagt of deze aanbeveling geldt voor alle geschillen van enig belang inzake wachtdiensten en in het bijzonder bij een officiële aankondiging van een totale staking.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 1 februari 2003 uw vragen betreffende de interpretatie die dient te worden gegeven aan de zin “geschillen inzake wachtdiensten” in zijn advies van 24 maart 1999. Dit advies was een gevolg van de wetswijziging van 25 januari 1999 - bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 6 februari daaropvolgend - betreffende de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies, in het bijzonder inzake wachtdiensten voor de bevolking (artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967).

Deze vraag kadert in een stakingsactie van de weekendwachtdiensten die ontketend werd door representatieve beroepsverenigingen van de beoefenaars – in de zin van het voornoemde besluit – of groeperingen die opgericht zijn met het doel een regelmatige en normale toediening van de gezondheidszorg te waarborgen.

Het is zinvol eraan te herinneren dat in lid 1 van § 2 van dit artikel 9 bepaald wordt dat wanneer deze groeperingen gebruik maken van de vrijheid die hun toegekend wordt om een wachtrol op te stellen binnen hun werkingsgebied, ze deze rol moeten meedelen aan de geneeskundige commissie van hun ambtsgebied. Deze laatste bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten, controleert de werking ervan, is bevoegd om de huishoudelijke reglementen ervan goed te keuren en om eventuele geschillen die ermee verband houden te beslechten.
In de tweede paragraaf van ditzelfde artikel wordt bepaald dat wanneer met betrekking tot de wachtdiensten regelen zijn vastgesteld in de Code van plichtenleer die door de Nationale Raad van de Orde is uitgewerkt en waaraan de Koning bindende kracht heeft verleend, de commissie daarnaar verwijst bij de uitvoering van de voornoemde opdrachten.

Naar aanleiding van de door de wetgever in januari 1999 aangenomen wetswijzigingen die hierboven beschreven werden en die de provinciale geneeskundige commissies machtigen om de huishoudelijke reglementen goed te keuren en de geschillen inzake wachtdiensten te beslechten en daar tot op heden geen bindende kracht bij wet werd verleend aan de Code van plichtenleer, heeft de Nationale Raad een “gentlemen's agreement” voorgesteld met het oog op een vlotte samenwerking met de provinciale geneeskundige commissies.
In verband met het huishoudelijk reglement stelt hij voor dat de provinciale raden in de eerste plaats nagaan of het in overeenstemming is met de deontologische regels en de nodige aanpassingen suggereren. Vervolgens vraagt hij dat de verantwoordelijke(n) van deze diensten dit reglement ter goedkeuring voorleg(t)gen aan de bevoegde provinciale geneeskundige commissie en er het advies van de provinciale raad bijvoegt(en).

Wat de geschillen inzake wachtdiensten betreft, vond de Nationale Raad het aangewezen dat de provinciale raad in eerste instantie probeert deze geschillen op te lossen alvorens de provinciale geneeskundige commissie tussenbeide komt.
Deze modus vivendi, zonder wettelijk bindende kracht, werd blijkbaar gunstig onthaald door de meeste partijen.

Wel wou de Nationale Raad niet afwijken van de bepalingen van hoofdstuk III van zijn Code. Tot staving hiervan volstaat het te verwijzen naar de talrijke geschillen, betwistingen en klachten die iedere provinciale raad heeft moeten behandelen, bijleggen, oplossen of sanctioneren met heel veel moeite maar meestal met succes. Voor de leden van de raden die hun best gedaan hebben om oplossingen aan te dragen, kan het dan ook zeer demotiverend overkomen te zien dat hun werk dat ze met veel inspanningen en zelfs met verbetenheid verricht hebben, wordt afgedaan als “minder belangrijk en alledaags”.

Wat uw concrete vraag betreft, is het duidelijk dat er geenszins sprake is van het beslechten van een, zelfs zeer belangrijk, geschil binnen de organisatie van een wachtdienst. Wel moet men zich zorgen maken over de gevolgen van een onvoorwaardelijk in de steek laten van de dienst, van een radicale weigering om mee te werken aan een door de wet opgelegde maatschappelijke opdracht. Wij worden hier geconfronteerd met een geval van tekortkoming zoals gepreciseerd in lid 3 van § 2 van het bovenvermelde artikel 9.

Ten aanzien van de huidige situatie en zonder uitsluiting van overleg tussen iedere provinciale raad en de geneeskundige commissie van zijn ambtsgebied om naar de meest constructieve manier van samenwerking te zoeken, kunnen wij alleen maar vaststellen dat een dergelijke denkbeeldige situatie dus volledig buiten het voormelde gentlemen's agreement valt.

Deze bewering betekent helemaal niet dat de Orde houdingen die een gevaar kunnen inhouden voor de patiënten probeert te ontlopen, integendeel !
Zij maakt van uw vraag gebruik om eraan te herinneren en te beklemtonen dat iedere arts deontologisch verplicht is de nodige maatregelen te nemen om de continuïteit van de zorg te verzekeren en mogelijk te maken dat dringende oproepen worden beantwoord.

Wij hopen hiermee het gestelde probleem duidelijk opnieuw afgelijnd te hebben.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht