Skip to content

Verplichting voor de wachtarts om zich te verplaatsen bij overlijden van de patiënt

Doc: a145019
Tijdschrift: 145
Datum: 17/05/2014
Origine: NR
Thema's:
warning De formulieren voor de aangifte van het overlijden, modellen III C en III D, gedefinieerd door het ministerieel besluit van 11 augustus 2000 tot wijziging van de bijlagen van het koninklijk besluit van 17 juni 1999 waarbij het opmaken van een jaarlijkse statistiek van de overlijdensoorzaken wordt voorgeschreven (zoals deze vandaag zijn opgesteld) kunnen besteld worden bij de FOD Economie via volgende de link :
http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/gegevensinzameling/aangifteformulieren/
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Aan de Nationale Raad wordt een vraag gesteld betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

Advies van de Nationale Raad :

In zijn vergadering van 17 mei 2014 besprak de Nationale Raad van de Orde van geneesheren uw adviesaanvraag betreffende de verplichting voor de arts met wachtdienst om zich te verplaatsen om een overlijden vast te stellen en een overlijdensattest op te maken.

De Nationale Raad is van oordeel dat, in geval van overlijden, de eerste arts die dient te worden opgeroepen de behandelende arts van de patiënt is. Indien mogelijk gaat deze ter plaatse, ook al heeft hij geen wachtdienst.

Indien de behandelende arts niet ter plaatse kan gaan, de arts met wachtdienst zich ter plaatse dient te begeven.

De wet belast de arts met het vaststellen van het overlijden en het afleveren van het overlijdensattest. Dit attest vormt een voorwaarde voor het opmaken van de akte van overlijden door de ambtenaar van de burgerlijke stand 1 en de teraardebestelling 2.

Het belang van deze opdracht mag noch worden onderschat noch gebanaliseerd. Artikel 24 van de wet van 14 januari 2013 houdende diverse bepalingen inzake werklastvermindering binnen justitie heeft hierop de nadruk gelegd door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet langer te verplichten het overlijden zelf vast te stellen en hem toe te laten zich ervan te vergewissen aan de hand van een overlijdensattest.

De arts moet onder andere attesteren of er een geneeskundige of gerechtelijk-geneeskundige belemmering voor de teraardebestelling of crematie is; dit houdt in dat het lichaam zo spoedig mogelijk moet worden onderzocht om te vermijden dat bepaalde sporen verdwijnen en dat het lichaam niet mag worden verplaatst of dat de persoon niet mag worden afgelegd vóór dit onderzoek.

Naast de juridische en administratieve aspecten van deze opdracht zijn de tussenkomst en de aanwezigheid van de arts eveneens belangrijk voor de naasten of het verzorgend personeel, bijv. van een rust- en verzorgingstehuis. Geconfronteerd met de dood bevinden zij zich immers in een situatie van emotionele kwetsbaarheid. In deze omstandigheden zijn de steun, de begeleiding en de solidariteit van de arts van wezenlijk belang.

Eén van de plichten van de arts in de Code van geneeskundige plichtenleer is het eerbiedigen van de menselijke persoon.

De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht 3 , wat betekent dat zij is gebaseerd op de fundamentele menselijke waarden, namelijk welwillendheid, eerbied voor de andere en empathie.

Indien men zich buiten de normale praktijkuren niet wil verplaatsen om een overlijden vast te stellen met als reden dat het niet dringend is, vergeet men dat de geneeskunde niet beperkt is tot verzorgen, maar tevens impliceert dat men, met eerbiediging van de bovenstaande waarden, zorg draagt voor de omgeving van de overleden persoon en voor het stoffelijk overschot.

Het is bijgevolg niet noodzakelijk om de continuïteit van de zorg, die de grondslag vormt voor de organisatie van de medische permanentie, in te roepen om de verplaatsing van de arts met wachtdienst te rechtvaardigen.

Sedert de wet van 23 mei 2006 tot wijziging van de artikelen 78 en 79 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de aangifte en de akten van overlijden, is het overigens de taak van de arts die het overlijden vaststelt om het overlijdensattest op te maken.

Het advies van de Nationale Raad van 17 oktober 1992 volgens hetwelk de arts met wachtdienst zich mocht beperken tot het vaststellen van het overlijden en het opmaken van het overlijdensattest mocht overlaten aan de behandelende arts, is dan ook niet meer van toepassing.

Ingeval er een probleem rijst, tracht de arts met wachtdienst de gewenste inlichtingen te verkrijgen bij de behandelende arts.

1. Artikel 78 van het Burgerlijk Wetboek : De akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de plaats waar de persoon is overleden, zodra hem een overlijdensattest werd voorgelegd door een verwant van de overledene of door een derde persoon die de inlichtingen kan meedelen welke vereist zijn voor het opmaken van de voornoemde akte.
Het overlijdensattest wordt opgesteld door een geneesheer die het overlijden heeft vastgesteld.

2. Artikel 77 van het Burgerlijk Wetboek : Geen teraardebestelling geschiedt zonder een (...) kosteloos afgegeven verlof van de ambtenaar van de burgerlijke stand, die dit echter niet mag afgeven dan nadat hij zich van het overlijden heeft vergewist aan de hand van een overlijdensattest , en eerst vierentwintig uren na het overlijden, behalve in de gevallen door politieverordeningen bepaald.

3. Artikel 3 van de Code van geneeskundige plichtenleer : De uitoefening van de geneeskunde is een bij uitstek menslievende opdracht; de arts waakt in alle omstandigheden over de gezondheid van de enkeling en van de gemeenschap.
Teneinde deze opdracht te vervullen moet de arts, welke discipline van de geneeskunde hij ook uitoefent, ten volle bevoegd zijn en de menselijke persoon steeds eerbiedigen.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht