Skip to content

Rust- en verzorgingstehuizen

Doc: a056017
Tijdschrift: 56 p. 44
Datum: 18/01/1991
Origine: NR
Thema's:
warning is herzien in advies : OT 74 p. 20, a074003
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Rust‑ en verzorgingstehuizen

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 18 januari 1992 zijn goedkeuring gehecht aan de tekst "Deontologische aspecten van de geneeskunde in een RVT", uitgaande van de Provinciale Raad van West‑Vlaanderen.

Deontologische aspecten van geneeskunde in een RVT

Een patiënt die opgenomen wordt in een RVT, moet beantwoorden aan enkele criteria die vastgelegd zijn bij KB. De geneesheer adviseur gaat na of de patiënt beantwoordt aan de gestelde criteria, en kan desgevallend de bijzondere tegemoetkoming wegens opname weigeren of toelaten.

Een RVT is in wezen een gezinsvervangend tehuis. De aandoening van de patiënt is gekend en specialistische tussenkomst is niet nodig, tenzij eventueel bij verwikkeling of nieuwe situaties. Daarom wordt algemeen aangenomen dat patiënten in een RVT medisch begeleid worden door hun huisarts, uitgaande van de vrije artsenkeuze.

Aan de RVT‑geneeskunde zijn nochtans enkele bijzondere aspecten verbonden die niet voorkomen indien een patiënt in eigen familiekring verzorgd wordt.
Een RVT, om erkend te worden, moet namelijk voldoen aan een aantal normen qua inrichting en functionering, die vastgesteld zijn door de wetgever. De normen die belangrijk zijn voor geneesheren hebben voornamelijk verband met het register, het medisch dossier, de erelonen en de coördinatie.

Het invullen in het register van de prestaties geleverd door de geneesheer is een wettelijke verplichting die gecontroleerd wordt door de RlZIV‑inspecteurs. De tegemoetkoming van de ziekteverzekering in de kosten van de verstrekkingen mag slechts worden toegekend als het aantal en de aard van deze verstrekkingen per opgenomen rechthebbende werden ingeschreven in een register. Fout tegen deze formele verplichting kan aanleiding geven tot een administratieve sanctie (terugbetaling van de tegemoetkoming door het ziekenfonds).

De behandelende geneesheer moet ook een medisch dossier aanleggen per patiënt. De RIZIV‑inspecteur moet de mogelijkheid hebben om na te gaan of er een dossier per patiënt werd aangelegd. Het is bekend dat het aanleggen en bijhouden van medische dossiers een voorwaarde is tot erkenning als huisarts.

Deontologisch moet een geneesheer voor elke patiënt een medisch dossier bijhouden. De onderliggende reden daarvan is dat een dossier zowat het geschreven geheugen vertegenwoordigt. De geneesheer is verantwoordelijk voor de bewaring ervan.
Wanneer een patiënt in eigen familiekring verzorgd wordt, mag het medisch dossier niet ten huize van de patiënt gelaten worden. Hoewel dit hinderlijk kan zijn voor een geneesheer met wachtdienst, primeert hier het beroepsgeheim, dat niet kan gewaarborgd worden in dergelijke situatie door de behandelende geneesheer. In een RVT moet de geneesheer gebruik maken van de mogelijkheid van het medisch dossier te bewaren door personen die eveneens door het beroepsgeheim zijn gebonden. Een geneesheer met wachtdienst kan er nuttig gebruik van maken om met bekwame spoed een beslissing te treffen. Daarom is het aan te raden alle belangrijke elementen in het dossier te vermelden die nodig zijn om de patiënt te verzorgen bij urgentie door een wachtgeneesheer. Het is eveneens aan te raden dat persoonlijke aantekeningen van delicate aard op geslagen worden in een dossier dat de behandelende geneesheer thuis bewaart. De lokale huisartsen kunnen afspraken maken met de directie om de geheimhouding in strikte zin te waarborgen.

Wat betreft de inning van de erelonen, is er in feite geen verschil met de patiënt die in zijn huis verzorgd wordt. Nochtans zijn patiënten in een RVT dikwijls seniel of dement. In zulke gevallen kan een afspraak gemaakt worden met de familie. Bij ontstentenis hiervan kan men de erelonen laten innen langs de diensten van het RVT.

"Krachtens het K.B. van 02/12/82 houdende vaststelling van de normen van de bijzondere erkenning van rust‑ en verzorgingstehuizen moet elk rust‑ en verzorgingstehuis een permanent toezicht op de verzorgingsbehoevenden verzekeren en moet de inrichting over een uitgerust onderzoekslokaal beschikken dat tevens kan dienen als verplegings ‑en vervangingslokaal.
Gegeven de omstandigheid dat dit onderzoekslokaal één van de criteria is waaraan met het oog op een erkenning moet worden voldaan, vallen de kosten ervan ten laste van de beheerder zonder enige aanvaardbare financiële tussenkomst van de geneesheer" (Tijdschrift Nationale Raad Maart 1990 nr. 47 blz. 17).

De deontologie rond de coördinator (in officiële teksten "aangewezen geneesheer" genoemd) betreft voornamelijk zijn aanstelling en zijn functie.
Er wordt algemeen aanvaard dat de coördinator een huisarts is, en in de meeste gevallen is het ook zo.
De aanstelling moet gebeuren via een geschreven overeenkomst met de beheerder, die, voorafgaandelijk aan de ondertekening, moet voorgelegd worden aan de Provinciale Raad. De aanstelling van de coördinator is het wettelijk voorrecht van de beheerder.

De geneesheer die aangezocht wordt om op te treden als coördinator, heeft minstens de plicht dit te melden aan de collega's die regelmatig aan verzorging doen in het RVT, en rekening te houden met hun opmerkingen. Beter nog gaat het initiatief uit van de lokale huisartsengroep, die in eigen schoot de aanvaardbare kandidaten aanduidt, en een lijst van kandidaten voorlegt aan de beheerder, waaruit deze kiest. Aan te raden is dat de coördinator aangesteld wordt voor een beperkte duur en dat hij herverkiesbaar is. Deze procedure is belangrijk voor de patiënten, voor de geneesheer en voor de beheerders, omdat een goede vertrouwelijke relatie tussen geneesheren en coördinator van wezenlijk belang is voor het goed functioneren van het RVT.
De coördinator moet zijn functie waarnemen, met inachtname van alle deontologische principes, inzonderheid van de collegialiteit. Hij zal dus niet proberen patiënten te ronselen, de vrije artsenkeuze strikt eerbiedigen, en de vrijheid van diagnose en therapie van zijn collega's niet hekelen noch in het gedrang brengen. Het is aan te raden dat hij zijn voorstellen op gebied van hygiëne, verzorgingstechnieken, uniform formularium etc zou laten toepassen na samenspraak met zijn collega's. Geschilpunten worden behandeld in geest van verzoeningsgezindheid. Ereloonverdeling tussen behandelende geneesheer en coördinator is niet toegelaten. Bij blijvende geschillen van deontologische aard wordt de Provinciale Raad op de hoogte gebracht.

Bovenstaande bemerkingen en voorstellen hebben een zuiver preventief karakter en zullen hopelijk bijdragen tot een correcte verhouding tussen geneesheren en RVT‑patiënten, en tussen de geneesheren onderling.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht