Skip to content

Preventieve opdracht van de geneesheren-inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV

Doc: a027030
Tijdschrift: 27 p. 58
Datum: 01/01/1978
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

PREVENTIEVE OPDRACHT VAN DE GENEESHERENINSPECTEURS VAN DE DIENST VOOR GENEESKUNDIGE CONTROLE VAN HET RIZIV

Het Bureau van de Nationale raad, dat om uitleg werd gevraagd in verband met de juiste draagwijdte van de nieuwe opdracht van de geneeshereninspecteurs van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering in de ziekenhuizen met het doel inbreuken op de regeling van de ziekteverzekering te voorkomen, had in maart 1978 een onderhoud met Dr. Lebeer, Geneesheerdirecteur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV.

Toen de Nationale raad, naar aanleiding van bepaalde interventies van geneeshereninspecteurs, opnieuw werd geraadpleegd, verzocht hij Dr. Lebeer op 23 juni 1978, om mededeling van de preciese richtlijnen die terzake werden uitgevaardigd, m.a.w., wat precies onder «preventieve» opdracht werd verstaan en in hoeverre daarbij artikel 58 van de Code van geneeskundige plichtenleer zou worden geëerbiedigd.
In antwoord hierop, schreef Dr. Lebeer op 10 juli 1978 volgende brief:

« Ik kan U alleen maar herinneren aan de optie die terzake werd genomen, om het veralgemeend onderzoek in al de verplegingsinstellingen van het land, zoals die in augustus 1977 door de Minister van Volksgezondheid was vooropgezet, om te buigen in een zuiver preventieve werkwijze, waarbij a priori van iedere beteugelende actie zou worden argezien om die te vervangen door een systeem dat de mogelijkheid schapt om tot een bestendige dialoog te komen tussen verzekeringsartsen en practici, ten einde door informatie en discussie tot een korrekte toepassing te komen van de spelregels van de verzekering, in een collegiale sfeer en in een vertrouwensrelatie zoals die, dacht ik, tussen geneesheren past.

Ik wil er U eveneens aan herinneren dat ik in meer algemene zin en om alle misverstanden te vermijden, duidelijk gesteld heb dat het niet in onze bevoegdheid lag de appreciatie van de opportuniteit van medische zorgen, binnen of buiten een hospitaal, in het gedrang te brengen. Die behoort vanzelfsprekend tot de medische praktijk.

Maar even zeker behoort de rechtvaardiging van de uitgaven van de verzekering tot de bevoegdheid van de daartoe aangestelde instanties binnen het verzekeringsstelsel zelf. Die hebben inderdaad tot bestendige opdracht na te gaan of de voorwaarden die de verzekering stelt voor haar geldelijke tussenkomst, en die door haar wetgeving en reglementering worden bepaald, inderdaad vervuld zijn.

Ik heb vaak kunnen vaststellen dat dit principieel en fundamenteel onderscheid niet altijd wordt gemaakt en aan de basis lag van heel wat misverstand bij de beoordeling van het object van de medische controle.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 54 van de medische plichtenleer kan ik U verzekeren dat hiermede steeds wordt gerekend, maar dat zij vanzelfsprekend weinig problemen stelt in een specifiek preventief kader van medisch toezicht, zoals dit in de betrokken ziekenhuizen werd beoogd, en waarbij uiteraard geen officieel bewijsmateriaal moet worden verzameld zoals dit bij onderzoeken ten laste regelmatig gebeurt.»

Naar aanleding van dit schrijven, drong de Raad aan op een nieuw onderhoud met Dr. Lebeer.

Het is absoluut nodig dat de preventieve opdracht van de geneeshereninspecteurs in de ziekenhuizen duidelijk wordt omschreven gezien de ambiguïteit die blijft bestaan tussen de preventieve rol van deze artsen en hun bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie.

Na dit tweede onderhoud met het Bureau van de Nationale raad, wordt door Dr. Lebeer in zijn schrijven van 30 november 1978, het preventieve karakter van deze opdrachten bevestigd:

« In aansluiting met ons onderhoud van 8 november 11., houd ik eraan U nog eens te bevestigen dat wanneer de geneeshereninspecteurs van het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering belast zijn met een controleopdracht met preventief karakter, zoals dit momenteel het geval is in een aantal ziekenhuizen, zij zich per definitie moeten beperken tot het verlenen van informatie of het maken van opmerkingen met het oog op het rechtzetten van vaststellingen die zouden indruisen tegen de reglementaire beschikkingen van de ziekteverzekering, meer bepaald van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen.

Deze handelvijze is conform met de laatste zin van artikel 80 van de wet van 9 augustus 1963 die stelt:

«In het raam van de controle op de verzekering voor geneeskundige verzorging, m aakt de dienst voor geneeskundige controle de opmerkingen die hij nuttig acht ten aanzien van de personen en inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen».

Deze tekst is de wettelijke basis van ons preventief optreden, zowel binnen als buiten de ziekenhuizen.

Ik blijf ervan overtuigd dat een politiek van informatie en correctie op het kieze gebied van de gezondheidszorg en fundamenteel gezond is, en veruit te verkiezen boven de uitoefening van een toezicht dat er zich zou toe beperken vergissingen en fouten te bestraffen zonder eerst te trachten ze te vermijden. Dit schijnt mij al te gelijk logisch en efficiënt.

Met mijn dank voor het bijzonder collegiaal onderhoud, en steeds ter Uwer beschikking.»

Nadat deze kwestie opnieuw werd onderzocht, werd op de vergadering van 16 december 1978 besloten de preventieve opdracht van de geneeshereninspecteurs op deontologisch gebied, schriftelijk te preciseren:

«Na het lezen van Uw schrijven van 30 november 1978, is het ons duidelijk dat het, juridisch gesproken, voor U onmogelijk is ons te verzekeren dat geneeshereninspecteurs tijdens hun preventieve opdracht, afstand zullen doen van hun bevoegdheid als officier van gerechtelijke politie.

Om deze onvermijdelijke taakverwarring te voorkomen zou het beter zijn indien U voor deze opdracht over geneesheren zoudt kunnen beschikken die geen officier van gerechtelijke politie zouden zijn en bijvoorbeeld als «technisch raadgever» zouden optreden.

De Nationale raad beseft dat de organisatie van dergelijke dienst een zekere tijd in beslag zal nemen. In afwachting van deze regeling, die evenwel binnen een redelijke termijn - ter appreciatie van de Nationale raad - moet tot stand komen, kan de Nationale raad de huidige situatie aanvaarden onder de hierna volgende voorwaarden.

De geneeshereninspecteurs belast met dergelijke preventieve opdrachten dienen hun werkzaamheden strikt te beperken tot het in alinea 1 van Uw brief voorziene kader.

Indien zij misbruik maken van het vertrouwen van de practici, door zich aan te melden met een zuiver preventieve opdracht om in de loop van het onderhoud (of achteraf) repressief te handelen, begaan deze geneeshereninspecteurs volgens de Nationale raad, een zeer ernstige deontologische fout en schenden zij de in Uw schrijven aangegane verbintenis.

De Nationale raad is ervan overtuigd dat U met deze visie akkoord zult gaan en meent dat het voorstel ook realiseerbaar is.»

Op 2 februari 1979 schrijft Dr. Lebeer aan de Nationale raad volgende brief:

« Mijnheer de Voorzitter,

Het ligt zeker niet in mijn bedoeling met dit schrijven een polemiek te beginnen met de leden van de Nationale raad van de Orde. Ik meen echter dat ik uw schrijven van 20 januari l.l. niet volledig onbeantwoord mag laten, omdat dit de indruk zou kunnen geven dat ik helemaal en ongenuanceerd instem met de inhoud van deze brief.

Ik ben van oordeel dat mijn stelling inzake preventief optreden van de medische controlediensten van het RIZIV voldoende bekend is, en duidelijk geformuleerd was in mijn brief van 30 november 1978.

Ik heb bovendien in de loop van ons onderhoud beklemtoond dat zich tot nog toe nog nooit een geval heeft voorgedaan waarbij een geneesheerinspecteur in het raam van een preventieve opdracht het kader van de preventie heeft moeten verlaten om repressief op te treden, en dat wij zelfs voorzien hadden dat indien ooit een geneesheerinspecteur zich in een situatie moest bevinden waarbij hij zou kennis krijgen van werkelijke en opzettelijke bedrogplegingen, hijzelf in geen geval zou belast worden met een mogelijke repressieve opdracht vanwege het controle comité.

Maar het moet daarbij toch gezegd worden dat men van geen enkele beambte van een controledienst mag verwachten dat hij door een stilzwijgen een duidelijke toestand van fraude of bedrog zou dekken, wat er zou op neerkomen dat hij hierin zou deelachtig worden. Het is overigens evident dat de bedoeling van een politiek van preventief en correctief optreden er in bestaat fouten en vergissingen die bij de toepassing van de wetgeving omtrent de ziekteverzekering kunnen voorkomen zoveel mogelijk te vermijden of zonder nare gevolgen voor de betrokkenen op te lossen; maar dat zij niet voor gevolg mag hebben werkelijke misbruiken en bedrieglijke handelingen ten nadele van de verzekering ook maar in het minst te aanvaarden. Dit zal wel als vanzelfsprekend overkomen, maar moet toch naar mijn menig impliciet bij de voorlaatste alinea van uw schrijven toegevoegd worden.

Ik wens er bij te voegen dat uit de wet zelf blijkt dat een geneesheerinspecteur nooit zelf in staat is te beslissen tot een repressief optreden. Dit wordt voorbehouden aan het Comité dat, op basis van vastgestelde feiten via zijn beperkte kamers alleen bevoegd is om de administratieve maatregel te treffen die in artikel 90 van de ziektewet voorzien werd.

De beambten van de controledienst zijn alleen maar gemachtigd om feiten vast te stellen, maar hebben voor wat de gevolgen van die vaststelling betreft geen enkele sanctionele bevoegdheid. Hun persoonlijke tussenkomst kan op dat stuk nooit verder gaan dan het preventief of correctief optreden waarvan de laatste zin van artikel 80 van de wet gewag maakt.

Wat tenslotte de suggestie betreft om «technische raadgevers» in dienst te nemen, zult U begrijpen dat de realisatie ervan, die structuurveranderingen in de controledienst van het RIZIV inhoudt, niet tot mijn bevoegdheid behoort, en bovendien niet zonder wetswijzigingen te verwezenlijken is.»

***

Na kennisneming van dit schrijven, bevestigt de Nationale raad zijn advies van 16 december 1978.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht