Skip to content

Organisatie van de huisartsenwachtdienst - Bevoegdheden

Doc: a117011
Tijdschrift: 117 p. 8
Datum: 30/06/2007
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Organisatie van de huisartsenwachtdienst - Bevoegdheden

Een provinciale raad stuurt de briefwisseling door van een huisartsenkring die verwikkeld is in een bevoegdheidsgeschil met de provinciale geneeskundige commissie betreffende zijn plan tot reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.
De provinciale geneeskundige commissie weigert dit plan goed te keuren en baseert zich hiervoor op de hem (volgens zijn interpretatie) door art. 9, §2, van het koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen opgedragen taken : “De geneeskundige commissie bepaalt de behoeften inzake wachtdiensten. Zij controleert de werking van deze wachtdiensten , met inbegrip van de bevoegdheid om de huishoudelijke reglementen bedoeld in §1 goed te keuren en geschillen inzake de wachtdiensten te beslechten.”.
De betrokken huisartsenkring meent nochtans dat zijn plan tot reorganisatie volledig strookt met het recente advies van Nationale Raad van 21 april 2007 betreffende de wachtdienst voor huisartsgeneeskunde (Tijdschrift Nationale Raad nr. 116, juni 2007, p. 9) en met het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen en legde het plan ter goedkeuring voor aan zijn provinciale raad.
Daar er onduidelijkheid bestaat omtrent de exacte draagwijdte van de bevoegdheden van de provinciale geneeskundige commissies in deze richtte de heer R. Demotte, minister van Volksgezondheid, op 20 april 2007 een omzendbrief aan de provinciale geneeskundige commissies omdat het hem nuttig leek “te verduidelijken hoe artikel 9 van het voormelde KB nr. 78 dient te worden geïnterpreteerd”.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 30 juni 2007 de problematiek van een bevoegdheidsconflict tussen de huisartsenkring FMGCB en de Provinciale Geneeskundige Commissie van Henegouwen, in het kader van de reorganisatie van de huisartsenwachtdienst.

De huisartsenkringen hebben rechtspersoonlijkheid en duidelijke verantwoordelijkheden door het koninklijk besluit van 8 juli 2002 tot vaststelling van de opdrachten verleend aan huisartsenkringen. Ze zijn de wettelijke aanspreekpunten voor de lokale vertegenwoordiging van de huisartsen en ook voor de organisatie van de huisartsenwachtdienst, zoals bepaald in het artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Dat betekent wettelijk dat de huisartsenkring bevoegd is voor de praktische organisatie van de huisartsenwachtdienst. De verantwoordelijkheid voor een eventuele opsplitsing daarvan in wachtdienstonderdelen behoort toe aan de organisator, die daarvoor alle betrokken huisartsen binnen zijn huisartsenzone vooraf zal raadplegen en de interne en collegiale besluitvorming zal respecteren. De werking van de huisartsenwachtdienst is immers gebaseerd op solidariteit en collegialiteit.

De modaliteiten worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de wachtdienst (HRW), en dit wordt vooraf nagezien en goedgekeurd op deontologisch vlak door de Provinciale Raad, op het werkingsvlak door de Provinciale Geneeskundige Commissie.

De Nationale Raad wenst het gentlemen’s agreement (cf. de adviezen van de Nationale Raad van 19.06.1999 en 01.02.2003) verder te respecteren, met bijzondere aandacht voor de voorgestelde procedure van goedkeuring van het huishoudelijk reglement van de wachtdienst door beide instanties.

De Nationale Raad is van oordeel dat – in het belang van het goed functioneren van de wachtdiensten – de onderscheiden bevoegdheden van en tussen alle betrokken partijen op een logische, complementaire en coherente wijze dienen te worden toegepast.

Indien zou blijken dat er onduidelijkheden zijn omtrent onderlinge bevoegdheden, dan is collegiaal overleg en dialoog de aangepaste weg om die problemen op te lossen. Aanvullend wetgevend werk is noodzakelijk om aan de bestaande onduidelijkheden, in het bijzonder in het art. 9 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, te verhelpen.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht