Skip to content

Opvorderen van artsen voor het verrichten van een bloedproef tijdens de wachtdienst

Doc: a121007
Tijdschrift: 121 p. 7
Datum: 21/06/2008
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Opvorderen van artsen voor het verrichten van een bloedproef tijdens de wachtdienst

Een provinciale raad legt aan de Nationale Raad een adviesaanvraag voor betreffende het opvorderen van een arts met het oog op het verrichten van een bloedproef om het alcoholgehalte te bepalen. In de praktijk blijkt de wijze van opvordering door de bevoegde overheid sterk te verschillen.

Advies van de Nationale Raad :

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 21 juni 2008 de volgende vragen besproken:

Vanaf welk ogenblik is er wettelijk sprake van opvordering? Welke personen zijn bevoegd om de geneesheren op te vorderen? Wat zijn de modaliteiten van opvorderen? Is de arts gerechtigd om een schriftelijk bewijs te vragen van de opvordering?

De Nationale Raad is van mening dat van opvordering alleen sprake is als de bevoegde overheid (met andere woorden de procureur des Konings, de substituten, de onderzoeksrechter, officieren van de gerechtelijke politie of hulpofficieren van de magistraten) de geneesheer, al dan niet telefonisch, contacteert om bepaalde vaststellingen te doen. De vordering start dus voor het moment dat de geneesheer in het bezit wordt gesteld van het bloedafnamesysteem.

De opgevorderde geneesheer wordt door het gerecht aangesteld om als deskundige een onderzoek te verrichten. De geneesheer is wettelijk verplicht hieraan gevolg te geven (Wetboek van Strafvordering, koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte).

Er zijn wel uitzonderingsgevallen waar de opdracht geweigerd mag worden, namelijk wanneer er een medische tegenindicatie is en/of een deontologisch bezwaar bestaat (zie artikel 131 van de Code van geneeskundige plichtenleer). De Nationale Raad van de Orde der geneesheren heeft in zijn advies van 19 februari 1994 (Bloedproef – Alcoholintoxicatie, TNR nr. 64, p. 29) gemeld dat er in zo’n geval immers sprake is van “een morele onmogelijkheid en van een mogelijke schending van het beroepsgeheim”.

Artikel 63, § 1, van de Wegverkeerswet bepaalt de voorwaarden waaronder een bloedproef moet worden opgelegd. Maar dit impliceert niet dat die voorwaarden moeten vervuld zijn op het ogenblik dat een beroep wordt gedaan op de geneesheer.

Wettelijk zijn er geen modaliteiten bepaald hoe de opvordering moet plaatsvinden.

Noch de wet noch het koninklijk besluit maken gewag van de overhandiging aan de geneesheer van de vordering, maar hij kan als "deskundige" een afschrift van de opvordering vragen. Het afschrift dient later door de politie afgeleverd te worden.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht