Skip to content

Minimale Psychiatrische Gegevens (M.P.G.) - Annulatie door de Raad van State

Doc: a091006
Tijdschrift: 91 p. 10
Datum: 21/10/2000
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Minimale Psychiatrische Gegevens (M.P.G.) – Annulatie door de Raad van State

Een arrest van de Raad van State van 8 februari 2000 heeft het Koninklijk besluit van 25 februari 1996 houdende bepaling van de regels volgens welke bepaalde minimale psychiatrische statistische gegevens moeten worden meegedeeld aan de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft geannuleerd omdat de anonimiteit bij het verzamelen van de gegevens betreffende de patiënten niet gewaarborgd is. In een omzendbrief van het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, cel Psychiatrische Verzorging, aan de beheerders en verantwoordelijken-M.P.G. van de psychiatrische ziekenhuizen en van de psychiatrische diensten van de algemene ziekenhuizen wordt gesteld dat deze annulering geen gevolgen heeft voor de registratieverplichting van de psychiatrische verzorgingstehuizen en de initiatieven van beschut wonen die verplicht blijven de gegevens in kwestie over te maken aan het ministerie.
Een hoofdgeneesheer van een psychiatrisch ziekenhuis wijst op deze anomalie in de wetgeving.

Brief van de Nationale Raad aan mevrouw M. AELVOET, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu :

In zijn vergadering van 21 oktober 2000 besprak de Nationale Raad van de Orde der geneesheren de weerslag van het arrest van de Raad van State van 8 februari 2000 op de Koninklijke besluiten van 20 september 1998 betreffende het mededelen van minimale psychiatrische gegevens van de initiatieven van beschut wonen en de psychiatrische verzorgingstehuizen. Als u bekend, wordt in het geciteerde arrest het Koninklijk besluit van 25 februari 1996 houdende bepaling van de regels volgens welke bepaalde minimale psychiatrische statistische gegevens moeten worden meegedeeld aan de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, geannuleerd. Aangezien het arrest van de Raad van State enkel het KB van 25 februari 1996 annuleert blijven de Koninklijke besluiten van 20 september 1998 van toepassing.

In zijn advies van 11 mei 1996, dat als bijlage aan dit schrijven wordt toegevoegd, maakte de Nationale Raad zijn opmerkingen betreffende het KB van 25 februari 1996 aan de toenmalige minister van Volksgezondheid over. Hierop werd het belangrijkste bezwaar van de Nationale Raad zijnde het overmaken van een identificatienummer voor elke patiënt opgeheven. Op basis van de resterende opmerkingen in het vlak van het beroepsgeheim en de bescherming van de privacy werd door de Raad van State het K.B. van 25 februari 1996 geannuleerd. De Nationale Raad hoopt dat met zijn advies van 11 mei 1996 rekening zal worden gehouden bij het eventueel nemen van een nieuw besluit.

Daarnaast is de Nationale Raad van oordeel dat de Koninklijke besluiten van 20 september 1998 betreffende het meedelen van M.P.G. aangaande initiatieven van beschut wonen en psychiatrische verzorgingstehuizen eveneens dienen aangepast te worden.

Het gaat niet op deze gegevens op de huidige wijze te blijven registreren in deze voorzieningen omdat deze koninklijke besluiten niet werden geannuleerd. Overigens blijkt uit de motivering van deze koninklijke besluiten dat "het van bij de aanvang de bedoeling was te komen tot een uniforme registratie".

De Nationale Raad stelt zich de vraag in hoever het ethisch verantwoord is in de huidige omstandigheden met de verdere registratie van M.P.G. van psychiatrische patiënten die beschut wonen of in psychiatrische verzorgingstehuizen verblijven verder te gaan. Het lijkt immers aangewezen voor alle psychiatrische patiënten tot een uniforme registratie te komen die alle garanties biedt in het vlak van de bescherming van het beroepsgeheim en de privacy.

Kopie van deze brief wordt gestuurd aan de hoofdgeneesheer die het probleem bij de Nationale Raad aankaartte.

Advies van de Nationale Raad van 11 mei 1996 (Tijdschrift Nationale Raad nr. 73, september 1996, p. 19-22):

Brief aan de minister van Volksgezondheid:

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren nam kennis van uw omzendbrief d.d. 25 maart 1996 gericht aan de beheerders van psychiatrische ziekenhuizen en van de algemene ziekenhuizen met psychiatrische afdelingen evenals van de handleiding voor de registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens waarnaar u in de omzendbrief verwijst.

Na een grondig onderzoek van de bewuste handleiding is de Nationale Raad van oordeel dat de voorgestelde registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens de vertrouwensrelatie tussen psychiater en patiënt ernstig schaadt. Zowel de deontologische als de wettelijke waarborgen betreffende beroepsgeheim en privacy worden de patiënt gedeeltelijk ontnomen en de vertrouwenspositie van de psychiater in onze samenleving wordt geschaad.

Het is merkwaardig hoe bij de ontwikkeling van een MPG-registratie-instrument geen aandacht geschonken werd aan de specifieke kenmerken van het psychisch ziek zijn en de kwetsbare vertrouwensrelatie van de psychiater met een gehospitaliseerde patiënt.


De repercussie van een opname in een psychiatrische dienst op de loopbaan van de patiënt, op zijn materiële, sociale en privé-situatie hebben velen reeds tot hun schade ondervonden.

Het is dan ook spijtig vast te stellen dat een psychiatrische opname beschouwd wordt als een opname in een andere dienst van een algemeen ziekenhuis. Gezien de soms pijnlijke gevolgen ware het beter geweest bijkomende garanties op geheimhouding te voorzien. Even opvallend is hoe gegevens opgevraagd worden over de meest intieme belevingen (relationele problematiek, sexuele stoornissen) van een patiënt zonder rekening te houden met de consequenties van het overmaken van deze informatie aan derden op de arts-patiëntrelatie. Het is in het belang van de volksgezondheid dat allen die in het kader van hun psychiatrische behandeling dienen gehospitaliseerd te worden de meest strikte waarborgen geboden worden op het vlak van de geheimhouding van confidentiële gegevens.


De medische deontologie heeft steeds voorgestaan dat gegevens uit de medische dossiers enkel voor onderzoeksdoeleinden aan derden kunnen overgemaakt worden mits de naleving van onder meer de volgende regels :

  • volstrekte anonimiteit is het principe;
  • wanneer identificatie mogelijk is, kunnen de gegevens enkel doorgegeven worden na voorafgaandelijke toestemming van de degelijk voorgelichte betrokkenen;
  • medische persoonsgegevens mogen niet worden vermengd met administratieve of sociodemografische gegevens;
  • identificeerbare medische persoonsgegevens kunnen in het kader van wetenschappelijk onderzoek enkel overgemaakt worden aan een op de Lijst van de Orde ingeschreven geneesheer.

Uit een analyse van Hoofdstuk VI betreffende de export naar het ministerie van Volksgezondheid blijkt:

  • dat slechts een partiële anonimiteit bekomen wordt;
  • dat de identificatie van de overgemaakte gegevens niet de uitzondering maar de regel is;
  • dat de toelating van de patiënt niet gevraagd wordt;
  • dat medische, gerechtelijke, sociodemografische en administratieve gegevens worden vermengd;
  • dat de handleiding niet vermeldt dat de medische persoonsgegevens bij een op de Lijst van de Orde ingeschreven geneesheer terecht komen;
  • dat niet gesteld wordt dat de MPG-verantwoordelijke onder de verantwoordelijkheid van een geneesheer dient te werken;
  • dat uit de handleiding evenmin blijkt welke geneesheer verantwoordelijk is voor de medische persoonsgegevens die de coördinatoren, niet-geneesheren, ter inzage krijgen.

Het moge dan ook duidelijk zijn dat de waarborgen die tot op heden aan de patiënten door hun behandelende artsen gegeven werden afgezwakt worden door de toepassing van Minimale Psychiatrische Gegevens. De deontologische garanties die steeds geboden werden gelden schijnbaar niet langer.


In de handleiding wordt evenmin rekening gehouden met de voor de patiënt bestaande wettelijke waarborgen.
In de omzendbrief uitgaande van het Bestuur van de Gezondheidszorg aan de beheersorganen van de psychiatrische ziekenhuizen en de psychiatrische afdelingen in de algemene ziekenhuizen betreffende de registratie Minimale Psychiatrische Gegevens wordt uitgegaan van artikel 86 van de Wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987. Daarin is sprake van "de statistische gegevens die ... met de medische activiteiten verband houden". Uit de handleiding blijkt dat de gevraagde inlichtingen vooral persoonsgegevens zijn en nauwelijks medisch-statistische gegevens. Daarnaast betreft de meerderheid van de gevraagde gegevens niet de medische activiteiten maar wel de patiënten.

Vanuit juridisch oogpunt dient te worden opgemerkt dat er geen wettelijke basis voorhanden is om de artsen te verplichten de in de handleiding vermelde gegevens over te maken. Integendeel zelfs, artikel 458 van het Strafwetboek verbiedt artsen vertrouwelijke gegevens die zij in hoofde van hun beroep ontvangen aan derden mee te delen tenzij een wet hen daartoe verplicht.

Opvallend is hoe weinig aandacht in de handleiding geschonken wordt aan de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Artikel 7 van die Wet voorziet inderdaad expliciet dat medische persoonsgegevens uitsluitend onder het toezicht van een beoefenaar van de geneeskunst mogen worden verwerkt. Bij de uitvoering van de voor de MPG-verantwoordelijken en -coördinatoren voorziene taak zal met deze bepaling rekening moeten gehouden worden.

Hetzelfde artikel 7 voorziet dat het verboden is medische persoonsgegevens aan derden mee te delen behoudens afwijking door of krachtens de wet.

Volgens artikel 1 § 5 van de Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer zijn persoonsgegevens de gegevens die betrekking hebben op een natuurlijke persoon die is of kan worden geïdentificeerd. Artikel 2.a) van de richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 definieert persoonsgegevens als "iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon [...] die direct of indirect kan worden geïdentificeerd met name aan de hand van een identificatienummer of één of meer specifieke elementen die kenmerkend zijn voor zijn of haar fysieke, fysiologische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit".

Alle persoonsgegevens blijven steeds identificeerbaar bij de verstrekker die zelf het identificatienummer overmaakt aan de ontvanger.

De voor de MPG-registratie opgevraagde gegevens zijn persoonsgegevens in de zin van de Wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer zodat deze wetgeving van toepassing is en, bij afwezigheid van daartoe strekkende wettelijke bepalingen, het overmaken van de gevraagde gegevens verboden is.

Besluit:

1. De Nationale Raad van de Orde der geneesheren meent voldoende te hebben aangetoond dat de voorziene registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens belangrijke risico's inhoudt voor de kwetsbare vertrouwensrelatie tussen psychiater en patiënt.

2. Zowel deontologische als wettelijke waarborgen betreffende beroepsgeheim en privacy worden de patiënt ontnomen.

3. De Nationale Raad is van oordeel dat het opvragen van een grote hoeveelheid vertrouwelijke gegevens over individuele psychiatrische patiënten die identificeerbaar zijn, het algemeen vertrouwen van de patiënt in de artsen hypothekeert en dan ook schadelijk is voor de gezondheidszorg. Daarnaast zijn de risico's door het opslaan van al deze gegevens in één databank zeer groot.

4. De Nationale Raad van de Orde der geneesheren kan een registratie van Minimale Psychiatrische Gegevens onderschrijven, voor zover de privacy van de patiënt hierdoor niet wordt geschaad.

De Nationale Raad is graag bereid u de inhoud van dit schrijven nader toe te lichten.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht