Skip to content

Militaire artsen – tuchtrechtelijke bevoegdheid van de orde van geneesheren

Doc: a119006
Tijdschrift: 119
Datum: 22/12/2007
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Militaire artsen – Tuchtrechtelijke bevoegdheid van de Orde van geneesheren

Naar aanleiding van een aan hem voorgelegde vraag betreffende de behandeling van een burger in het militaire ziekenhuis Koningin Astrid door een militair arts, trekt een provinciale raad de aandacht van de Nationale Raad op het statuut van deze artsen die zowel militairen als burgers behandelen.
De Nationale raad bestudeert de materie en richt een brief aan de bevoegde ministers.

BRIEF AAN MEVROUW LAURETTE ONKELINX, MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN VOLKSGEZONDHEID, EN AAN DE HEER PIETER DE CREM, MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING :

Tijdens de vergadering van 22 december 2007 heeft de Nationale Raad van de Orde van geneesheren het volgende advies uitgebracht.

De uitoefening van de geneeskunde in het kader van een militair ambt verschilt minstens op twee punten van de ‘burgerlijke’ geneeskunde.

In de eerste plaats vallen de ziekenhuizen beheerd door het ministerie van Defensie niet onder het toepassingsbied van de gecoördineerde wet op de ziekenhuizen van 7 augustus 1987. Als ziekenhuis wordt alleen het militair hospitaal Koningin Astrid beheerd door de FOD Defensie.

Ten tweede is enkel de militaire arts, in tegenstelling tot de praktijkvoerende niet-militaire arts, niet wettelijk verplicht zich in te schrijven op de Lijst van de Orde van geneesheren, behalve indien hij de geneeskunde beoefent buiten zijn militair ambt (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

De Nationale Raad is van mening dat dit onderscheid niet meer gerechtvaardigd is en de belangen van de patiënten kan schaden.

  1. De wet op de ziekenhuizen

    De uitbreiding van het toepassingsgebied van de wet op de ziekenhuizen op het militair hospitaal Koningin Astrid dient de belangen van de patiënten, zowel de burgerlijke als de militaire patiënten.

    De gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, evenals zijn talrijke uitvoeringsbesluiten, zet verschillende structuren of procedures op waarvan de doelstellingen in het belang van de patiënten zijn. Het oprichten van een commissie voor ethiek, een medische raad, diensten bevoegd inzake ziekenhuishygiëne of nog de organisatie van een medische audit zijn stuk voor stuk kwaliteitsfactoren vereist door de wet van 7 augustus 1987 en zijn uitvoeringsbesluiten.

    Het is niet meer te rechtvaardigen deze structuren niet op te zetten binnen het militair hospitaal Koningin Astrid. De patiënten hebben recht op dezelfde kwaliteitsstandaarden zowel in een burgerlijk als een militair ziekenhuis.

    Verschillende recente gebeurtenissen hebben trouwens aangetoond dat het wenselijk zou zijn in het militair hospitaal Koningin Astrid toch ten minste een medische raad en een commissie voor ethiek op te richten.

    In zijn advies van 17 juli 2004 (TNR nr. 106, december 2004, p. 3) pleitte de Nationale Raad voor het installeren van een medische raad binnen het militair ziekenhuis Koningin Astrid.

  2. Inschrijving bij de Orde

    Uit de lectuur van artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren blijkt dat de Orde slechts gezag en rechtsmacht heeft over de legerartsen wanneer ze de geneeskunde uitoefenen buiten hun militair ambt.

    De Nationale Raad is van mening dat dit afwijkende stelsel ingaat tegen de belangen van de patiënten en moeilijk verenigbaar is met de realiteit op het terrein.

    Hij wijst er vooreerst op dat de term “militair ambt” verwarring schept. Zoals de Nationale Raad het benadrukte in zijn advies van 17 juli 2004 : “Wanneer militaire artsen bijna uitsluitend burgers verzorgen in bepaalde diensten van de militaire ziekenhuizen, kan men zich afvragen of ze nog altijd handelen ‘in het kader van hun militaire activiteiten’.” In zijn arrest nr. 131.903 van 28 mei 2004 werpt de Raad van State een nieuw licht op deze vraagstelling : « Considérant […] que les médecins qui exercent leur art à l’hôpital militaire de la base Reine Astrid sont des médecins militaires ; que, dans la pratique de l’art médical, ils relèvent de l’autorité de l’Ordre des médecins […] ». (Overwegend dat de artsen die hun kunde uitoefenen in het militair hospitaal van de basis Koningin Astrid legerartsen zijn; dat ze, bij de uitoefening van de geneeskunde, onder het gezag van de Orde van geneesheren vallen).
    Deze interpretatie van de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 toont voldoende aan dat dit afwijkende stelsel ontoepasbaar is.

    Ten tweede stelt de Nationale Raad in zijn advies van 17 juli 2004 het volgende vast: “Op te merken valt dat omzeggens alle legerdokters op de Lijst van de Orde ingeschreven zijn daar zij ook buiten hun militaire ambt de geneeskunde uitoefenen. Dit brengt mee dat zij vertrouwd zijn met de regels van de medische deontologie en overtuigd zijn van het belang van de naleving ervan in hun contacten met burgerpatiënten, verwijzers en verzorgingsinstellingen. De Nationale Raad stelt met voldoening vast dat de legerartsen in hun contacten met burgerpatiënten zowel binnen als buiten hun militaire ambt dezelfde deontologische regels naleven wat ook kan worden gezegd over hun contacten met verwijzers. Zo ondervinden patiënten en verwijzers in hun contacten met bv. brandwondencentra nauwelijks enig verschil tussen militaire en burgerlijke ziekenhuizen”. Deze vaststelling toont de nutteloosheid van deze afwijking aan.

    Ten derde stelt de Nationale Raad vast dat het militair ziekenhuis Koningin Astrid niet enkel legerartsen tewerkstelt. Sommige artsen zijn burgerlijke artsen zonder militair statuut en als dusdanig ingeschreven op de Lijst van de Orde van geneesheren. Er is geen reden om de militaire en burgerlijke artsen die in eenzelfde instelling werken te onderwerpen aan verschillende deontologische regels en aan een verschillend tuchtrecht. Het gaat om de bescherming van de patiënten.

    Tot slot neemt de Nationale Raad akte van de nieuwe formulering van artikel 157 van de Grondwet, herzien op 17 december 2002 met het oog op het afschaffen van de militaire rechtscolleges in vredestijd. Ten gevolge van deze grondwetsherziening worden de bevoegdheden van de militaire gerechten van nu af aan uitgeoefend door “de burgerlijke rechtscolleges die strafzaken behandelen (politierechtbanken, rechtbanken van eerste aanleg, hoven van beroep en hoven van assisen). De misdrijven die door militairen zijn gepleegd, zullen op dezelfde wijze worden opgespoord, vervolgd en berecht als de misdrijven gepleegd door andere burgers”. Er is geen reden om deze houding niet te volgen op tuchtrechtelijk vlak.

    Om deze redenen acht de Nationale Raad het nodig de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 te wijzigen zodat alle artsen die gerechtigd zijn in België de geneeskunde uit te oefenen onder het gezag en de rechtsmacht vallen van de Orde van geneesheren. De toepassing van de tuchtregels van de Orde van geneesheren belet geenszins de parallelle toepassing van een tuchtstelsel eigen aan het militaire regime.

    De Nationale Raad zou het aan deze zaak voorbehouden gevolg willen vernemen.

Zie de parlementaire vraag nr. 14612 van dhr. T. KELCHTERMANS aan de minister van Landsverdediging over "experimenten met nog te ontwikkelen nieuwe medische producten in het Militair Hospitaal te Neder-over-Heembeek”, Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, COM 1256, 26/03/2007.
www.raadvst-consetat.be
Herziening van artikel 157 van de Grondwet, Gedr. St., Senaat, gew. zitt. 2001-2002, nr. 2-697/4, p. 6.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht