Skip to content

Inschrijving van een buitenlandse arts op de Lijst van de Orde

Doc: a093004
Tijdschrift: 93 p. 5
Datum: 21/04/2001
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Inschrijving van een buitenlandse arts op de Lijst van de Orde

De Nationale Raad besprak de problemen die rijzen met betrekking tot het moraliteitsonderzoek bij het verzoek tot inschrijving van bepaalde buitenlandse artsen op de Lijst van de Belgische Orde der geneesheren.

Brief van de Nationale Raad aan de voorzitters van de provinciale raden :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 21 april 2001 bovenstaande problematiek. Bijgaand doet hij u een door de Raad goedgekeurde nota [van de studiedienst] hieromtrent geworden.

Als een buitenlandse arts zich in België wenst te vestigen om er de geneeskunde uit te oefenen, dient hij bepaalde formaliteiten te vervullen. Deze zijn verschillend naargelang de nationaliteit van de betrokken arts, het land waar hij zijn diploma behaalde e.d. .
Aan het eind van de procedure moet iedere arts zijn inschrijving vragen op de Lijst van de Orde der geneesheren (art. 7, §1, al. 1, KB nr. 78 van 10 november 1967), meer bepaald van de provincie waar hij zijn voornaamste medische activiteit zal uitoefenen (art. 2, al. 1, KB nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren).

Bij de aanvraag tot inschrijving dient de betrokken arts aan te geven of hij reeds ingeschreven is/was bij een andere provinciale raad en desgevallend onder welk nummer. Bepaalde provinciale raden (de inschrijvingsformulieren van de verschillende provinciale raden zijn op dit vlak niet uniform) vragen daarnaast of een onderzoek tegen de arts lopende is dan wel of een veroordeling - andere dan strafrechtelijke want deze laatste moet blijken uit de over te leggen verklaring omtrent het gedrag - tegen hem werd uitgesproken.

De provinciale raad heeft deze inlichtingen nodig in het kader van het "moraliteitsonderzoek" dat hij instelt ten opzichte van alle artsen die hun inschrijving op de Lijst van de Orde vragen. Dit moraliteitsonderzoek is noodzakelijk omdat wettelijk bepaald wordt dat de provinciale raden "de inschrijving op de Lijst kunnen weigeren of uitstellen, ofwel wanneer de aanvrager zich schuldig heeft gemaakt aan een zo zwaarwichtig feit dat het voor een lid van de Orde de schrapping van de Lijst tot gevolg zou hebben of aan een zware fout die afbreuk doet aan de eer of de waardigheid van het beroep, ofwel op grond van inlichtingen meegedeeld door de Lid-Staat van oorsprong of herkomst wanneer het een onderdaan betreft van een Lid-Staat van de Europese Economische Gemeenschap die zich in het ambtsgebied van de Provinciale Raad wenst te vestigen" (art. 6, 1°, al. 1, KB nr. 79). "De beslissing waarbij een inschrijving op de Lijst wordt geweigerd of uitgesteld […] moet met redenen omkleed zijn" (art. 6, 1°, laatste al., KB nr. 79).

Voor bepaalde categorieën van artsen bestaat er geen twijfel over de documenten die voor dit moraliteitsonderzoek dienen overgelegd te worden : een arts die voorheen nog nooit ingeschreven is of was bij de Belgische Orde der geneesheren of bij een gelijkwaardig buitenlands organisme dient dit op zijn eer te bevestigen en kan verder geen hiervoor dienstige documenten voorleggen; indien een arts reeds ingeschreven is of was bij een andere provinciale raad, stuurt het Bureau van de provinciale raad waar de aanvrager ingeschreven is of was zijn dossier aan de raad tot wie de aanvraag tot inschrijving is gericht (art. 21, §2, laatste al., KB van 6 februari 1970 tot regeling van de organisatie en de werking der raden van de Orde der geneesheren); een Belgische arts of een arts die Europees onderdaan (1) is en een Europees diploma (2) heeft en de geneeskunde reeds heeft uitgeoefend in een andere lidstaat van de Europese Unie, dient een document over te leggen "dat niet ouder is dan drie maand en dat is afgeleverd door de bevoegde instantie van die Lid-Staat, en met een overzicht van de tuchtrechtelijke of administratieve maatregelen of sancties genomen ten opzichte van de betrokkene en van de strafrechtelijke sancties die betrekking hebben op de uitoefening van het beroep in die Lid-Staat"(art. 21bis, 4°, KB van 6 februari 1970).

Op basis van bovenstaande, wettelijk verplicht over te leggen documenten en te volgen procedures kunnen de provinciale raden de disciplinaire toestand van de aanvragende arts beoordelen.

Voor andere categorieën van artsen stellen zich echter problemen omdat niet bij wet vastgelegd is dat zij met het oog op een moraliteitsonderzoek door de provinciale raad bepaalde documenten dienen over te leggen.
Zo werd de Nationale Raad laatst geconfronteerd met vragen vanuit verschillende provinciale raden in verband met artsen die :

  • de Nederlandse nationaliteit hebben maar een Belgisch diploma, nooit eerder bij de Belgische Orde der geneesheren ingeschreven zijn en reeds jaren in Nederland werken, en daar ook ingeschreven zijn, en nu een, andere dan occasionele, medische activiteit willen uitoefenen in België;

  • de Belgische nationaliteit en een Belgisch diploma hebben, maar steeds in Nederland gewerkt hebben zonder ooit bij de Belgische Orde der geneesheren ingeschreven te zijn geweest en zich nu in België wensen te vestigen;

  • de Indonesische nationaliteit hebben en een Duits diploma en in het kader van een opleiding tot geneesheer-specialist een aantal jaren de geneeskunde in België wensen uit te oefenen.

Voor geen enkele van deze categorieën van artsen bepaalt de wet dat een of ander "moraliteitsdocument" dient overgelegd te worden. Nochtans is de provinciale raad zoals gezegd wettelijk bevoegd om een gevraagde inschrijving op de Lijst ofwel toe te staan, ofwel te weigeren, ofwel uit te stellen, en dient hij een gebeurlijke weigering of een uitstel te motiveren. De vraag rijst dan: hoe kan de provinciale raad zich een oordeel vormen over de tuchtrechtelijke situatie van de arts die een inschrijving vraagt en waarop kan de raad zich baseren om een inschrijving desgevallend te weigeren of uit te stellen?

De enige oplossing hiervoor lijkt te zijn dat de provinciale raad, vooraleer hij een arts inschrijft waarvoor noch op basis van een verklaring van niet-inschrijving uitgaande van de betrokkene zelf, noch op grond van het dossier van een andere provinciale raad, noch op grond van een attest van een bevoegde instantie van een andere EU-lidstaat, enig inzicht te verkrijgen is in zijn tuchtrechtelijk verleden, aan de betrokken arts zou vragen een verklaring opgesteld door de bevoegde buitenlandse overheid over te leggen waaruit zijn disciplinaire situatie blijkt.

Indien dit voor een arts niet mogelijk is, kan hem gevraagd worden een bewijs voor te leggen dat hij tot op het ogenblik van aanvraag om inschrijving op de Lijst van de provinciale raad de geneeskunde uitoefende in zijn land van herkomst.

Aangezien het inlichtingen betreft die de provinciale raad nodig heeft om te kunnen oordelen over de al dan niet inschrijving van een bepaalde arts en aangezien de wet in deze - in tegenstelling tot de procedure voor Belgen of Europese onderdanen met een Europees diploma - nergens enige tussenkomst van de Nationale Raad voorziet, is het de provinciale raad zelf die bedoelde documenten van de betrokken arts dient te vragen.

M. VAN LIL
7 maart 2001

(1) Onder "Europees onderdaan" wordt verstaan:
- onderdaan van een Lid-Staat van de Europese Unie;
- onderdaan van Noorwegen, IJsland of het Vorstendom Liechtenstein;
- onderdaan van een Staat waarmee de Europese Gemeenschappen en hun Lid-Staten een Associatieovereenkomst gesloten hebben die in werking is getreden en waarin bepaald wordt dat deze onderdaan, voor wat betreft de toegang tot en de uitoefening van een beroepsactiviteit, niet mag gediscrimineerd worden op grond van zijn nationaliteit. (Het betreft volgende landen: Polen, Hongarije, Roemenië, Bulgarije, de Tsjechische Republiek, de Slowaakse Republiek, Letland, Litouwen en Estland.)
(art. 1bis KB nr. 78 van 10 november 1967)
(2) Een "Europees diploma" is "een diploma, certificaat of andere titel, afgeleverd door de bevoegde autoriteiten van een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap dan België, van Noorwegen, van IJsland of van het Vorstendom Liechtenstein, en vallend onder het toepassingsgebied van de Eerste of van de Tweede Algemene Richtlijn, en waarmee men beroepsactiviteiten wenst uit te oefenen die gereglementeerd zijn in het kader van dit besluit [het KB nr. 78 van 10 november 1967]" (art. 44bis KB nr. 78).

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht