Skip to content

Hulpverlening aan de jeugd - Protocol voor samenwerking tussen de "Services de l'aide à la jeunesse" en de pluridisciplinaire equipes "SOS-enfants" (Franse Gemeenschap)

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Hulpverlening aan de jeugd - Protocol voor samenwerking tussen de "Services de l'aide à la jeunesse" en de pluridisciplinaire equipes "SOS-Enfants" (Franse Gemeenschap)

De afgevaardigd algemeen directeur van de Algemene Dienst van de Hulpverlening aan de Jeugd (Franse Gemeenschap) vraagt, in naam van mevrouw L. ONKELINX, minister-presidente van de Franse Gemeenschapsregering, het advies van de Nationale Raad over het delen van medische informatie tussen de pluridisciplinaire teams van "SOS-Enfants" en de adviseurs of de directeurs van de "Services de l'aide à la jeunesse" (Diensten voor hulpverlening aan de jeugd). Het delen van deze informatie zou de samenwerking tussen de betrokken diensten vergemakkelijken.
Daarnaast wordt gevraagd de Code van geneeskundige Plichtenleer te wijzigen in die zin dat een bijkomende uitzondering op de eerbiediging van het beroepsgeheim van de arts zou toegevoegd worden.

Antwoord van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn zitting van 23 augustus 1997 de bespreking beëindigd van het "Samenwerkingsprotocol tussen de diensten voor Hulpverlening aan de jeugd en de teams van "SOS Enfants".

Aangaande het delen van de medische informatie tussen de teams "SOS Enfants" en de diensten voor Hulpverlening aan de jeugd, heeft de Nationale Raad bij het bestuderen van het protocol niet gevonden in welke precieze gevallen, in welke omstandigheden, tussen welke personen en hun hoedanigheid, er medische informatie zou kunnen uitgewisseld of doorgegeven worden. De aard van deze informatie (het medisch dossier in zijn geheel of alleen de gegevens nodig voor de uitvoering van de opdracht ?) wordt niet gepreciseerd.

Wat ook de deontologische regels mogen zijn betreffende de werking van een multidisciplinair team, toch mogen de deontologische regels eigen aan het beroep van ieder lid niet geloochend worden en niet bewust overtreden. Het respect van de vertrouwelijke mededeling ligt aan de basis ervan. Dit is de prijs van de geloofwaardigheid van de confident.
De specifieke vertrouwelijkheid delen betekent soms ook ze vernietigen.

Zelfs al is het waar dat de kennis van de gezondheidsproblemen, met inbegrip van de mentale gezondheid, essentieel en zelfs determinerend kan zijn bij het begrijpen en beheren van een dossier, toch vallen de beoordeling en de behandeling van de medische informatie onder de bevoegdheid van een arts. Het lijkt dus noodzakelijk dat op één of andere manier een arts deel uitmaakt van de Dienst voor Hulpverlening aan de jeugd. Aangezien hij gerechtigd is de informatie nuttig en nodig voor de uitvoering van de opdracht te ontvangen van de arts van het team "SOS Enfants", zou deze arts op een zekere manier een "raadgevend geneesheer" zijn binnen het team van de Dienst voor Hulpverlening aan de jeugd. Deze arts is onderworpen aan de regels van geneeskundige plichtenleer.

Verschillende artikels van de Code van geneeskundige Plichtenleer geciteerd in het samenwerkingsprotocol zijn niet juist : ofwel stemt de tekst niet overeen met de officiële tekst van de Code, ofwel werd de term "geneesheer" uitgebreid en vervangen door "team". Er dient op toegezien te worden dat de geciteerde teksten juist zijn (bijvoorbeeld : de artikels 30, 40, 58, 60, 61, 66, enz.)

Sommige verwijzingen naar de Code van Plichtenleer zijn niet adequaat. Bijvoorbeeld, de Dienst voor Hulpverlening aan de jeugd kan, niet meer dan de teams "SOS Enfants", geassimileerd worden met een medische instelling. De teams "SOS Enfants" zijn geen artsenteams. De artsen van de teams "SOS Enfants" zijn geen geneesheren die werken voor een verzekeringsinstelling (de artikelen 119 en 120 worden verkeerdelijk aangehaald).

Doorheen de ganse tekst bemerken we een gelijkstelling van de leden van een "team" met artsen en vanaf dat moment wordt verwezen naar de bepalingen van de Code van geneeskundige Plichtenleer en dat voor niet-artsen !
De Code van geneeskundige Plichtenleer vormt een geheel en werd opgesteld ter intentie van de artsen. Ze legt meer bepaald de deontologische regels vast voor de beroepsuitoefening van de artsen in de samenleving.

De Code van geneeskundige Plichtenleer is niet bestemd voor gebruik door de medewerkers van de artsen. De arts moet erop toezien dat zijn medewerkers, wat ook de aard van de samenwerking is, hem niet in een situatie brengen waarin hij de bepalingen van de Code van geneeskundige Plichtenleer overtreedt (meer bepaald artikel 70).

De Nationale Raad is van mening dat de Code van Plichtenleer in zijn huidige vorm niet gewijzigd moet worden.

In de ogen van de Nationale Raad vormt artikel 61 van de Code van geneeskundige Plichtenleer geen juridisch probleem, zoals u het noemt, inzake het doorgeven van medische informatie aan de adviseur van de Hulpverlening aan de jeugd en aan het SAJ. De ouders, de voogd en de gerechtelijke overheid zijn vrij contact op te nemen of informatie uit te wisselen met de adviseur van de Hulpverlening aan de jeugd of het SAJ. Het bestaan van een "raadgevend geneesheer" van het SAJ zou de doorstroming van de gewenste informatie nog vergemakkelijken.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht