Skip to content

Drie voorontwerpen van wet betreffende de hervorming van de Orde van geneesheren

Doc: a083012
Tijdschrift: 83 p. 17
Datum: 23/01/1999
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

De Nationale Raad is in buitengewone vergadering bijeen teneinde een advies uit te brengen over :

  1. drie voorontwerpen van wet betreffende de hervorming van de Orde der geneesheren, te weten :

    • "voorontwerp van wet tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de orde der geneesheren, van het koninklijk besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de orde der apothekers en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies" ;
    • "voorontwerp van wet betreffende de administratieve tuchtrechtscolleges en administratieve tuchtrechtscolleges van beroep van de gezondheidsberoepen" ;
    • "voorontwerp van wet tot oprichting van een Federale Raad voor de Plichtenleer van de Gezondheidsberoepen";
  2. het "voorontwerp van wet tot wijziging van de wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987 en van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de geneeskunst, de verpleegkunde, de paramedische beroepen en de geneeskundige commissies" (genoemd : voorontwerp van wet betreffende de rechten van de patiënt).

- zie advies : TNR 83 p. 19 (a083013n) -

ADVIES VAN DE NATIONALE RAAD VAN DE ORDE DER GENEESHEREN BETREFFENDE DE DRIE VOORONTWERPEN VAN WET VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID IN HET KADER VAN EEN HERVORMING VAN DE ORDE DER GENEESHEREN

De Nationale Raad van de Orde der geneesheren besprak in zijn vergadering van 23 januari 1999 het door de minister van Volksgezondheid op 17 december 1998 overgemaakte voorontwerp van wet tot wijziging van het K.B. nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren evenals de daarbij aansluitende voorontwerpen van wet betreffende de oprichting van een Federale Raad voor de Plichtenleer van de Gezondheidsberoepen en van administratieve tuchtrechtscolleges en administratieve tuchtrechtscolleges van beroep van de gezondheidsberoepen.

De Nationale Raad dankt de minister van Volksgezondheid voor het overmaken van de voorontwerpen waarnaar hij in zijn schrijven van 23 september 1998 aan de minister had gevraagd.

De Nationale Raad vindt het niet ernstig dat in de Memorie van Toelichting van het voorontwerp van wet tot oprichting van een Federale Raad voor de Plichtenleer beweerd wordt dat het opstellen van de deontologische code alsmede de tuchtprocedure, alleen door de betrokken beroepsgroep wordt geregeld. Alsof de steller van de Memorie niet weet dat de Orde van geneesheren in 1938 bij wet werd opgericht en de wijziging van deze wet met de opdracht een Code van geneeskundige Plichtenleer op te stellen in 1967 eveneens door de wetgever gebeurde. De wetgever heeft van meet af aan op alle echelons in de aanwezigheid van benoemde magistraten voorzien waardoor o.m. niet het professionele maar het maatschappelijke belang van de Orde werd benadrukt. Het is onjuist in dezelfde Memorie van Toelichting te beweren dat de Nationale Raad niet inging op de uitnodiging van de minister van Volksgezondheid om voorstellen te formuleren tot modernisering van de Orde. Op de brief van de minister van Volksgezondheid van 24 oktober 1997 werd door de Nationale Raad wel degelijk binnen de gestelde termijn, meer bepaald op 21 januari 1998, uitvoerig geantwoord. Bovendien publiceerde de Nationale Raad op 28 februari 1998 het standpunt van de Nationale Raad betreffende de hervorming van de Orde der geneesheren en dit standpunt werd niet alleen aan de minister van Volksgezondheid maar aan alle betrokken ministers, alle politieke partijen, alle parlementariërs en aan het geneesherenkorps overgemaakt. Voor zover als nodig worden beide documenten aan dit advies toegevoegd.

Uit de voorliggende voorontwerpen blijkt dat geen rekening werd gehouden met de geformuleerde voorstellen van de Nationale Raad zoals evenmin gevolg werd gegeven aan de herhaalde vraag om een constructieve dialoog.

Na een analyse van het voorontwerp van wet tot oprichting van een Federale Raad voor de Plichtenleer van de Gezondheidsberoepen komt de Nationale Raad tot de conclusie dat een dergelijke Federale Raad alleen kan gezien worden als een politiek instrument in de handen van de minister van Volksgezondheid. In zijn brief van 21 januari 1998 stelde de Nationale Raad dat door de benoeming van magistraten, professoren en griffiers in de verschillende raden van de Orde door de Koning, op voordracht van de bevoegde minister, in een uitgebalanceerde inbreng van de Overheid is voorzien die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Orde niet hypothekeert gezien het aantal en de verkiezingswijze van de overige leden. In het voorliggend voorontwerp wordt niet enkel de voorzitter maar worden alle leden van elke kamer op voordracht van de minister van Volksgezondheid benoemd. Daarnaast worden twee ambtenaren van zijn departement met het secretariaat belast en dient het door elke Kamer opgestelde huishoudelijk reglement goedgekeurd te worden door de minister, die door Koninklijke Besluiten de procedure en de modaliteiten van samenstelling, de organisatie en de werking van de Kamers regelt. Opvallend is dat artikel 5 bepaalt dat de aanwezigheid van de helft van de leden voorgedragen door het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek en van de helft van de leden voorgedragen door de nationale raden van de gezondheidsberoepen volstaat om geldig te beslissen maar dat anderzijds een paralyserende dubbele meerderheid vereist is. Als klap op de vuurpijl stelt artikel 12 dat de minister zelf een deontologische code voor een bepaalde beroepsgroep zal opstellen wanneer de Kamer van die groep er niet in slaagt dit binnen een krap bemeten tijdspanne te doen en deze Code bij een in ministerraad overlegd besluit door de Koning bekrachtigd te krijgen. Het is onaanvaardbaar dat de minister van Volksgezondheid zich het recht toeëigent zelf de deontologische code van een beroepsgroep te bepalen om door regelgeving op te leggen wat hij in een rechbtsstaat via de wetgevende macht dient te bewerkstelligen.

De schijnbaar bestaande Memorie van Toelichting bij het voorontwerp van wet betreffende de administratieve tuchtrechtscolleges en administratieve tuchtrechtscolleges van beroep werd aan de Nationale Raad niet overgemaakt. Merkwaardig is dat dezelfde kwalificaties vereist zijn voor de voorzitters van de administratieve tuchtrechtscolleges en van de administratieve tuchtrechtscolleges van beroep en dat het begrip van "magistraat" niet nader wordt omschreven.
Bij de benoemingen van de tuchtrechtscolleges stelt de Nationale Raad dezelfde politisering vast.
Bovendien worden de voorzitters en leden van de tuchtcolleges zonder voordracht door enige instantie voor benoeming door de Koning gezamenlijk voorgedragen door de minister van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor Volksgezondheid. De Nationale Raad klaagt de verder durende politisering in de schoot van de tuchtrechtscolleges aan, hetgeen indruist tegen de heersende tendens van depolitisering van de benoemingen.

Meest opvallend in het voorontwerp betreffende de administratieve tuchtrechtscolleges is de loodzware rechtspleging. Voor de administratieve tuchtrechtscolleges bedraagt deze niet minder dan 139 artikelen waaraan nog 18 artikelen voor de rechtspleging in hoger beroep dienen te worden toegevoegd. In een kritische reflectie over het medisch tuchtrecht stelde de Nationale Raad op 28 februari 1998 in zijn standpunt over de hervorming van de Orde dat het tuchtrecht voor beoefenaars van een bij uitstek menselijk beroep in zijn uitoefening menselijk hoort te zijn en dat de impact van het juridisch systeem op het omgaan met klachten, klagers en beklaagden te dien opzichte niet bevorderlijk is geweest. Het voorliggende voorontwerp versterkt alleen het weinig humane karakter van deze rechtspleging. Zo getuigt het van gebrek aan begrip voor de klager te eisen dat hij reeds binnen de zestig dagen na kennisname van de feiten die aanleiding kunnen geven tot het instellen van een tuchtvordering een verzoekschrift moet neerleggen met een inventaris van de stukken en vijf door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften van het verzoekschrift en vijfmaal de inventaris. Tevens dient de klager een afschrift van zijn verzoekschrift onmiddellijk over te maken aan de beklaagde. Daarnaast wordt de klager verplicht tot het opstellen van een memorie van wederantwoord binnen de dertig dagen na het ontvangen van een memorie van antwoord en wanneer hij deze niet ontvangt moet hij een toelichtende memorie indienen. Helemaal uitzichtloos wordt het voor de klager wanneer stukken dienen overgelegd te worden. Dan dient hij gehoord te worden en moet hij een bijzondere memorie van antwoord neerleggen zo er een bijzondere memorie is. Een dergelijke rechtspleging kan zinnig zijn voor de Raad van State maar is niet verantwoord in tuchtrechtelijke geschillen tussen zorgverstrekkers en klagers. De Nationale Raad is dan ook van oordeel dat dit voorontwerp door onder meer zijn extreme juridisering niet te aanvaarden is.

Het voorontwerp van wet tot wijziging van het K.B. nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der geneesheren beperkt zich niet tot de aanpassingen die voortvloeien uit de twee hoger besproken voorontwerpen maar bevat nog een reeks bepalingen die de Orde substantieel uithollen.

Volgens dit voorontwerp zullen de Provinciale Raden niet langer de lijst van de Orde opmaken, alsof deze taak volledig kan overgelaten worden aan de Provinciale Geneeskundige Commissies, die ten dezen slechts bevoegd zijn om de echtheid van de titels van de beoefenaars van de geneeskunde na te gaan alvorens daaraan het visum te hechten. Op dit ogenblik kunnen de Provinciale Raden bij de inschrijving nagaan of de arts zich schuldig heeft gemaakt aan zwaarwichtige feiten die voor een arts de schrapping tot gevolg zouden hebben. Merkwaardig is dat zelfs ernstige veroordelingen, opgelopen buiten de beroepsbeoefening, niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij aanvraag tot inschrijving. Ook de mogelijkheid om de inschrijving te weigeren of uit te stellen op grond van inlichtingen meegedeeld door de Lidstaat van oorsprong of herkomst, wanneer het een onderdaan betreft van een Lidstaat van de Europese Unie, komt te vervallen.

Pijnlijk is dat de minister van Volksgezondheid de Provinciale Raden één van hun meest essentiële opdrachten ontneemt door de gedeeltelijke opheffing van artikel 6 van het K.B. nr. 79. Het raadgeven aan artsen die in concrete situaties zeer frequent een beroep doen op hun Provinciale Raad om te weten wat de deontologie voorstaat, is een onvoldoende belichte maar zeer nuttige vorm van maatschappelijk dienstbetoon vanwege de Provinciale Raden, die door de wijziging van het K.B. nr. 79 verdwijnt.

De Raden van beroep worden volledig opgedoekt en vervangen door Administratieve Tuchtrechtscolleges van Beroep. Wie de geschillen omtrent de woonplaats van een arts, de vervallenverklaringen van de mandaten van de leden van de voorziene organen en de betwistingen betreffende de geldigheid van de verkiezingen van de Provinciale Raden zal behandelen is niet voorzien.

De wijze waarop de Nationale Raad wordt uitgehold is illustratief voor de geest waarin de drie voorontwerpen zijn tot stand gekomen. De Nationale Raad mag nog vertegenwoordigers voordragen voor enkele organen die zich met deontologie en/of ethiek inlaten en mag het bedrag bepalen dat van de arts geëist wordt als bijdrage voor de Orde. Het getuigt van enig cynisme als derde bevoegdheid voorzien in artikel 13 te stellen dat de Nationale Raad alle maatregelen mag treffen die nodig zijn "voor de verwezenlijking van het doel van de Orde".
De Nationale Raad worden onder meer de bevoegdheden ontnomen die de overheid aan de Nationale Raad had toevertrouwd betreffende de uitwisseling van informatie en het afleveren van de nodige verklaringen bij de transfers van artsen naar een andere Lidstaat van de Europese Unie. Door deze bevoegdheden aan de Nationale Raad te ontnemen miskent de minister van Volksgezondheid de actieve participatie van de Nationale Raad aan de werkzaamheden van de internationale verenigingen in het vlak van de medische deontologie en ethiek zoals hem werd meegedeeld in het schrijven van 21 januari 1998.

De Nationale Raad beperkt zich bij dit advies tot essentiële opmerkingen die moeten volstaan om het negatief advies over de drie voorontwerpen te verantwoorden.

Al zou de Nationale Raad niet liever wensen dan een constructieve dialoog met de minister van Volksgezondheid aan te gaan, is hij van mening dat de overgemaakte voorontwerpen hierbij geen uitgangspunt kunnen zijn.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht