Skip to content

De commercialisatie van de geneeskunde

Doc: a027001
Tijdschrift: 27 p. 5
Datum: 01/01/1978
Origine: NR
Thema's:
warning Informatie/Documentatie
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

De commercialisatie van de geneeskunde

De medische ethiek steunt op enkele fundamentele beginselen die, in de Code, in praktische levensregels werden omgezet.

Eén van deze principes wordt geformuleerd in art. 10 van de Code: «De geneeskunde mag, in geen geval, en op geen enkele manier, als een handelszaak worden opgevat».

Er bestaat, inderdaad, een volstrekte onverenigbaarheid tussen handelsgeest en eerlijke geneeskunde.

In de handelspraktijk is het normaal zijn produktie op te drijven, publiciteit te maken, procenten of kommissielonen op te strijken, zijn verkoopspunten te vermenigvuidigen. In één woord zijn eigen materieel belang na te streven.

In de geneeskunde is het juist andersom.

De patiënt moet er vast kunnen op rekenen dat de verrichte onderzoeken, en voorgeschreven behandelingen zullen beperkt worden tot wat strikt nodig is voor zijn genezing.

Elke afspraak of overeenkomst, die de geneesheer zou kunnen aanzetten om zijn materieel voordeel te stellen boven het heil van zijn patiënt, is daarom uit den boze. Ze ondermijnt het vertrouwen van de patiënt en kan zelfs zijn physische integriteit aantasten.

Daarom werd elke dichotomie, onder welke vorm dan ook, of met om het even wie, steeds streng veroordeeld.

Als dichotomie dient beschouwd elke winst, rechtstreeks of onrechtstreeks voordeel, die de geneesheer zou verwerven bij, of ter gelegenheid van de uitoefening van zijn beroep, behoudens natuurlijk zijn rechtmatig ereloon.

Deze deontologische principes werden ten andere zowel door de wet, de rechtsleer, en de jurisprudentie bevestigd.

Dit werd zeer kernachtig samengevat in een vonnis van de burgerlijke rechtbank van Antwerpen die het aldus formuleerde: «Benevens wetenschappelijke kennis en medische geschiktheid zijn immers de onafhankelijkheid en de belangloosheid van de geneesheer de grondbeginselen voor de uitoefening van goede geneeskunde en gelden dan ook als medische gedragsregelen. Omdat zij de nodige waardigheid van de geneesheer jegens zijn patiënten, en hun vertrouwen jegens hem waarborgen, en vooral omdat zij het recht zijner patiënten op dergelijke medische behandeling en op zijn lichamelijke integriteit beschermen. Deze grondbeginselen en gedragsregels zijn daarom zelfs van openbare orde, en elke overeenkomst die er afbreuk aan doet is aldus van rechtswege nietig». Burg. Antwerpen 23.12.1953 J.T. 1954 blz. 263/264.

Men mag dus terecht besluiten dat commerciële praktijken, als het ware, indruisen tegen het wezen zelf van de geneeskunde, en daarom, ook zowel door de deontologie, als door het recht veroordeeld worden.

Uit de parlementaire besprekingen, die de wettelijke oprichting van de Orde der geneesheren, in 1938 voorafgingen, blijkt dan ook dat de strijd tegen de commercialisatie, als een van de bijzonderste opdrachten van de Orde werd gezien, omdat het gerecht hier meestal machteloos staat.

Toen in 1947 de Orde eindelijk kon in werking treden, werd dit ook zo begrepen door de toenmalige Voorzitter van de Hoge Raad, die als inleiding op de Code van 1950 schreef: «Het kan niet langer meer geloochend worden dat in zekere milieu's de geneeskunde als een handelszaak wordt opgevat. Dergelijke praktijken moeten dan ook streng disciplinair beteugeld worden».

De strijdvaardige intenties van de Orde, en zijn voorzitter, werden echter in de kiem gesmoord door het verbreken van de Code door de Raad van State. Door de geneesheren werd dit verkeerdelijk geïnterpreteerd alsof de inhoud zelf van deze Code werd verworpen.

Intussen woekerden de misbruiken verder. Des te meer dan dat met het ontstaan van de Z.l.V. sommige personen en instanties in de geneeskunde de mogelijkheid zagen om er politiek philosophisch en ook financieel voordeel uit te halen.

Wanneer in 1970 de Nationale Raad door de wetgever werd belast met het opstellen van een nieuwe Code leek het wel onbegonnen werk tegen deze wantoestanden op te roeien.

Uiteindelijk heeft de Nationale Raad zijn verantwoordelijkheid genomen met de overweging dat zoals men in de U.S.A. zegt: «The wide extent of an unethical practice does not make it ethical». De grote verspreiding van ondeontologische praktijken maakt ze niet deontologisch.

Zo werd o.m. het systeem van de procentuele afhoudingen verworpen, dat, gekombineerd met de gratuiteit gans de gezondheidszorg bederft. Met dit systeem is het niet langer meer de beroepsbekwaamheid van de geneesheren, het belang van de zieke, de kwaliteit van de geneeskunde die centraal staan maar integendeel de gemeenschapelijke materiële belangen van instellingen EN geneesheren.

De Nationale Raad heeft nooit gedacht dat aldus onmiddellijk een einde kon gesteld worden aan wantoestanden, die bijna 40 jaar bestaan. Welbewust heeft hij echter de vinger gelegd op een etterende wonde, en het roer radikaal omgegooid. Het is duidelijk dat men hier staat voor een reuzetaak die, in samenspraak en samenwerking met alle betrokken instanties, tot een goed einde moet worden gebracht.

Dat men zou ongelijk hebben de armen te vlug te laten zakken wordt bewezen door een konkreet voorbeeld.

In 1964 ging de Hoge Raad ten strijde tegen de dichotomie over het algemeen, en de dichotomie in de heelkunde in het bijzonder. Daarbij werd beroep gedaan op de beroepsorganisaties. Het resultaat was dat de schande van de heelkundige dichotomie vrijwel verdwenen is.

Meer recent is nu een nieuwe plaag opgedoken, namelijk, de misbruiken in verband met de klinische biologie.

Het gaat van de brutale dichotomie, over allerhande varia, tot meer listige vormen als bijvoorbeeld het oprichten van allerhande verenigingen, waar alleen een doorgedreven studie van de statuten en vooral de praktijk de kollusie kan aan het licht brengen. Minstens twee jaar voor het huidige perskabaal, heeft de Orde hier ingegrepen, door herhaalde omzendbrieven van de Nationale Raad, en door het disciplinair optreden van de provinciale Raden.

Het lijkt wel of de strijd tegen de commercialisatie van de geneeskunde nooit af zal zijn. Eigenlijk hoeft dit, in deze wereld, geen verwondering te baren. Liet reeds Shakespeare, in zijn tijd, Hamiet niet zeggen: «To be honest, is to be one man pickt out of tenthousand».

Het gaat echter om een grondregel, om het wezen zelf van ons beroep.

Daarom zal de Orde, in al zijn geledingen zijn krachten inzetten, om ons beroep te bewaren: een bij uitstek humanitair beroep, ten dienste van de patiënt.

Dr. Alex De Bruyn,
Lid van de Nationale Raad.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht