Skip to content

Commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking

Doc: a049002
Tijdschrift: 49 p. 19
Datum: 05/05/1990
Origine: NR
Thema's:
warning Historische waarde.
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking

De Nationale Raad wordt dringend om advies verzocht vanwege de Parlementaire Commissie van de Volksgezondheid en het leefmilieu (Kamer van Volksvertegenwoordigers) over het wetsvoorstel houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek.

De leden van de Raad hebben aanzienlijk wat documentatie ontvangen alsook verschillende nota's van leden van de Raad die zich over het probleem gebogen hebben.

Aan de Orde worden twee vragen voorgelegd:
I‑ Wat denkt de Nationale Raad over de economie van dit voorstel ?

2‑ Indien dit voorstel goed is, hoe moet het dan uitgevoerd worden ?

Na een lange gedachtenwisseling stelt een redactieraad een antwoord op voor de Parlementaire Commissie. De Raad stemt in met deze tekst.

Advies van de Nationale Raad:

Wij betreuren dat wij niet geraadpleegd werden betreffende het ethisch en deontologisch aspect van de wet van 3 april 1990 betreffende de zwangerschapsafbreking, tot wijziging van de artikelen 348, 350, 351 en 352 van het Strafwetboek en tot opheffing van artikel 353 van hetzelfde Wetboek, maar danken U ervoor dat U ons om advies vraagt over het voorstel houdende oprichting van een commissie voor de evaluatie van de voormelde wet.

Wij betreuren eveneens de korte termijn die ons toegemeten werd, maar dank zij de medewerking van alle leden van de Nationale Raad, samengekomen in buitengewone vergadering, kan het advies tijdig uitgebracht worden.

Wij denken dat het noodzakelijk is de weerslag van de toepassing van de wet bij de bevolking te evalueren, maar vragen ons af of die opdracht wel moet volbracht worden door een te dien einde opgerichte nieuwe commissie.

Betreffende het voorstel, waarover U ons om advies vraagt, lijken de beschreven modaliteiten vatbaar voor kritiek.

Wij willen van meet af aan stellen dat wij ons volledig aansluiten bij de pertinente bemerkingen van de Raad van State in verband met de niet‑eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het beroepsgeheim.

Wij zijn er hoegenaamd niet van overtuigd dat de voorziene procedure de volstrekte anonimiteit waarborgt, zowel voor de geneesheer als voor de patiënte.

De Nationale Raad kan zijn goedkeuring niet hechten aan de evaluatiecommissie zoals ze thans voorgesteld wordt, vermits het fundamenteel recht van de patiënte op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, alsook de geheimhouding van wat ze aan haar geneesheer toevertrouwt niet sluitend gewaarborgd worden. Hier sluit de Nationale Raad zich eveneens aan bij het advies van de Raad van State.

Sommige inlichtingen die medegedeeld moeten worden door de geneesheer ‑ inlichtingen welke vooral betrekking hebben op de gezinstoestand van de vrouw, van de door haar gebruikte voorbehoedsmiddelen en de reden van het falen ‑, behoren tot de persoonlijke levenssfeer van de patiënte. Het mededelen van de informatie aan de evaluatiecommissie vormt een ernstige bedreiging voor de vertrouwensrelatie die bestaat tussen de geneesheer en zijn patiënte en kan een schending van het beroepsgeheim van de geneesheer betekenen, vermits de identificatie van de betrokkenen mogelijk zou zijn.

Al die maatregelen vormen een echte kontrole om statistische gegevens te bekomen.

Dat impliceert dat men uitsluitend de noodzakelijke informatie tracht te bekomen om de weerslag van de wet te evalueren, zonder het beroepsgeheim te schenden.

Men mag niet uit het oog verliezen dat artikel 2, punt c, tweede lid van de wet van 3 april 1990 stelt :"De appreciatie van de geneesheer over de vaste wil en de noodsituatie van de zwangere vrouw, op basis waarvan hij aanvaardt de ingreep uit te voeren, kan niet meer worden aangevochten indien is voldaan aan de in dit artikel bepaalde voorwaarden".

Zoals de Raad van State menen wij dat de verspreiding van de resultaten van die enquêtes bij instanties, die niet duidelijk omschreven zijn, in talrijke gevallen het anonieme karakter van de informatie zou doorbreken.

Volgens de Nationale Raad is deze problematiek hoofdzakelijk van ethische en deontologische aard, en mag de rol van de ordinale instanties niet over het hoofd worden gezien.

Om de moeilijkheden te vermijden, waarop de Raad van State en wijzelf de aandacht gevestigd hebben, zou het aangewezen zijn dat een gemengde commissie Parlement ‑ Nationale Raad een geschikte procedure zou uitwerken om de informatie in te zamelen, o.m. wat betreft het opstellen van de formulieren en de publicatie van de resultaten.

Wij denken evenzeer dat het wenselijk is dat de resultaten, die aan de evaluatiecommissie medegedeeld worden, eerst aan de geneesheren van de Commissie voorgelegd worden.

Het lijkt ons ten slotte essentieel dat de Nationale Raad betrokken wordt bij het werk van de Commissie, daar hij borg staat voor de medische ethiek, door als leden‑geneesheren enkel diegenen aan te duiden die zouden voorgedragen worden door de Nationale Raad.

In elk geval zouden de gepubliceerde resultaten geen gewag mogen maken van casuïstiek.

Wij danken U voor de aandacht die U aan onze opmerkingen zult besteden.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht