Skip to content

Beroepsgeheim en testamentaire betwistingen

Doc: a118001
Tijdschrift: 118 p. 3
Datum: 01/09/2007
Origine: NR
Thema's:
warning

Dit advies werd vervangen door het advies a155011.

Wijzigt advies TNR 105 p. 2, a105001.

Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Beroepsgeheim en testamentaire betwistingen

Naar aanleiding van de druk die wordt uitgeoefend door bepaalde advocaten om inzage te krijgen in het medisch dossier na het overlijden van de patiënt in het kader van de betwisting van een testament, heeft de Nationale Raad zijn advies van 19 juni 2004 licht gewijzigd en gepreciseerd.

Advies van de Nationale Raad :

De inzage van het medisch dossier na overlijden van de patiënt met het oog op de betwisting van een testament leidt tot heel wat vragen bij artsen, hoofdzakelijk i.v.m. de toepassing van artikel 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt.

In zijn vergadering van 1 september 2007 heeft de Nationale Raad beslist zijn advies van 19 juni 2004 (TNR nr. 105, september 2004, p. 2) betreffende het beroepsgeheim na (het) overlijden (van de patiënt) licht te wijzigen, naar aanleiding van de antwoorden van minister Demotte op de vraag van mevrouw Sabien Lahaye-Battheu aan de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid over de “inzage van het medisch dossier door nabestaanden” (Vragen en antwoorden, nr. 13675, 16 januari 2007) .

De volgende passage wordt geschrapt uit dit advies :

“De Nationale Raad blijft echter van mening dat het begrip "uitdrukkelijk" ruim dient geïnterpreteerd te worden. Wanneer een overledene bij leven zijn naaste verwanten niet informeerde over de aard van zijn aandoening en niet wenste dat zij daarover geïnformeerd werden door de behandelaar, dient dit als een uitdrukkelijk verzet tegen inzage beschouwd te worden. Zo is het uitgesloten dat de naasten pas door indirecte inzage van het medisch dossier zouden vernemen dat bijvoorbeeld euthanasie toegepast werd”.

In aanvulling van zijn advies van 19 juni 2004 stelt de Nationale Raad de artsen en de provinciale raden die hiermee geconfronteerd worden tevens de volgende handelwijze voor.

Het spreekt voor zich dat het aangewezen blijft, om discussies over de geldigheid van een testament te voorkomen, preventief te handelen door het eventueel uitdrukkelijk verzet van de patiënt tegen inzage van bepaalde gegevens van het dossier duidelijk en gedateerd in het patiëntendossier te noteren en door de oudere patiënt die gezond van geest is aan te raden een beroep te doen op een notaris voor het maken van zijn testament (zie het advies van 19 juni 2004).

  1. Overleg met de provinciale raad

    De Nationale Raad raadt elke arts aan, alvorens inzage van het medisch dossier van een overledene toe te staan op grond van een betwisting van het testament van de overledene, met het bureau van zijn provinciale raad overleg te plegen.

    Dit overleg heeft tot doel na te kijken of de inzage deontologisch aanvaardbaar is en of de door de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt vastgelegde voorwaarden om de inzage toe te staan in de praktijk vervuld zijn. Deze voorwaarden zijn hoofdzakelijk voorzien in artikel 9, § 4 :

    “Na het overlijden van de patiënt hebben de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en de bloedverwanten tot en met de tweede graad van de patiënt, via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar, het in § 2 bedoelde recht op inzage voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is en de patiënt zich hiertegen niet uitdrukkelijk heeft verzet. De aangewezen beroepsbeoefenaar heeft ook inzage in de in § 2, derde lid, bedoelde persoonlijke notities”.

  2. Uitdrukkelijk verzet

    De patiënt heeft het recht zich te verzetten tegen inzage van zijn patiëntendossier door zijn nabestaanden na het overlijden.

    Te vermelden is dat het uitdrukkelijk verzet tegen inzage van bepaalde gegevens van het dossier door de overledene niet alleen schriftelijk maar ook mondeling kan, al doet de arts er goed aan dit gedateerd in het medisch dossier te noteren. Zoals gezegd in het advies van de Nationale Raad 26 juli 2003 kan een patiënt zich enkel verzetten tegen de inzage post mortem indien hij op dat ogenblik nog bekwaam was zijn patiëntenrechten uit te oefenen.

  3. Indirecte inzage

    De wet bepaalt dat het recht op inzage van de naaste verwanten enkel uitgeoefend kan worden “via een door de verzoeker aangewezen beroepsbeoefenaar”.

    Verschillende deontologische aanbevelingen zijn van toepassing op de aangezochte arts.

    De Nationale Raad herinnert in dit verband aan de aanbevelingen opgenomen in zijn advies van 19 juni 2004 :

    “De Nationale Raad is van oordeel dat de aangezochte arts ervan moet overtuigd zijn dat een verzoek tot indirecte inzage van het medisch dossier de meest aangewezen weg is voor de naaste verwanten om de verlangde informatie te bekomen. Hij dient er rekening mee te houden en er de verzoeker op attent te maken dat de behandelende arts van de overledene, zoals bepaald in artikel 9, § 2, van de wet, tot 15 dagen na ontvangst van het verzoek tot inzage tijd heeft om er gevolg aan te geven en dat de wet niet voorziet in een recht op afschrift van het dossier van de overledene. Het is evident dat de aangezochte arts over de nodige competentie dient te beschikken om na inzage van het dossier van de overledene de verzoeker correct en volledig te kunnen informeren. Niet alleen de dossierhoudende artsen maar ook de voor indirecte inzage aangezochte arts moeten van oordeel zijn dat het verzoek tot inzage "voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is".

    Van de aangewezen arts mag worden verwacht dat hij met kennis van zaken de verzoeker adviseert om tot een vlotte en snelle afwikkeling van de inzage van het dossier te komen. Zo dient hij erop toe te zien dat de verzoeker de beroepsbeoefenaars aanschrijft die verantwoordelijk waren voor het zorgvuldig bijhouden en veilig bewaren van die onderdelen van het patiëntendossier waarvan indirecte inzage nuttig kan zijn. Het medisch dossier is slechts een onderdeel van het patiëntendossier zodat een verzoekschrift voor inzage gericht aan de arts die instond voor de behandeling van de overledene geen indirect recht op inzage geeft van bijv. het verpleegkundig dossier. Te vermelden is dat de hoofdarts van een ziekenhuis niet bevoegd is om inzage te geven van een medisch dossier.
    De Nationale Raad is van mening dat de aanwijzing van één enkele beroepsbeoefenaar volstaat om indirecte inzage te bekomen van de nuttige onderdelen van het patiëntendossier maar alle verzoeken moeten voldoende gemotiveerd en gespecificeerd zijn. In zijn gemotiveerd advies van 26 juli 2003 stelt de Nationale Raad dat enkel artsen kunnen aangewezen worden om het medisch dossier van een overledene in te zien en de Nationale Raad handhaaft dit standpunt”.

    De Nationale Raad blijft bovendien van mening dat “een raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij, in het kader van zijn opdrachten, niet de beroepsbeoefenaar kan zijn door wiens tussenkomst de verwant van de overledene recht zou kunnen hebben op inzage van het medisch dossier van deze laatste, in toepassing van artikel 9, § 4, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt” (zie advies van 25 november 2006 over de inzage van het medisch dossier van een overledene door de raadgevende arts van een verzekeringsmaatschappij, TNR nr. 115, maart 2007, p. 3).

  4. De motivering

    Zoals de Nationale Raad opmerkte in zijn advies van 19 juni 2004 is het knelpunt bij indirecte inzage van het patiëntendossier na overlijden door de naaste verwanten de in artikel 9, § 4, voorziene voorwaarde “voorzover hun verzoek voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is”.

    De Nationale Raad is van mening dat het in het belang van de gemeenschap is en in het bijzonder van de ouderen dat inzage van het medisch dossier na overlijden voor de betwisting van de geldigheid van een testament niet aanvaard wordt indien er geen ernstige elementen zijn om ervan uit te gaan dat het testament werd opgesteld op een ogenblik waarop de erflater niet over de vereiste geestesbekwaamheid beschikte. De motivering van de Nationale Raad om het beroepsgeheim te vrijwaren werd uitvoerig uitgelegd in zijn adviezen van 16 februari 2002, 26 juli 2003 en 19 juni 2004.

    Het beroepsgeheim heeft als grondslag zowel de individuele belangen van de patiënt (in dit geval : de overledene) als het algemeen belang om de volledige zekerheid te waarborgen van degenen die de artsen in vertrouwen moeten nemen en om eenieder in de mogelijkheid te stellen de verzorging te krijgen die uit hoofde van zijn toestand, ongeacht de oorzaak ervan, vereist is (zie Cass., 16 december 1992, Arr. Cass., nr. 801). De patrimoniale belangen van de erfgenamen zijn niet van dien aard dat ze toelaten de vertrouwelijkheid van medische gegevens te doorbreken. In zijn advies van 19 juni 2004 heeft de Nationale Raad aangetoond dat andere bewijsgronden aangehaald kunnen worden om het testament in twijfel te trekken.

    Er zijn echter omstandigheden waaruit de arts en/of de erfgenamen over ernstige elementen beschikken om ervan uit te gaan dat het testament opgesteld werd op een ogenblik waarop de erflater geestesonbekwaam was. Deze omstandigheden maken de zaak complexer op het vlak van de in aanmerking te nemen belangen.

    In een arrest van 19 januari 2001 heeft het Hof van Cassatie het volgende beslist :
    “het medisch beroepsgeheim heeft tot doel de patiënt te beschermen, zodat het niet tot gevolg mag hebben dat de bescherming voortvloeiend uit artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek aan de geesteszieke wordt ontnomen en dat deze niet wordt beschermd tegen zijn eigen daden”.

    Artikel 901 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt :
    “Om een schenking onder de levenden te kunnen doen of een testament te kunnen maken, moet men gezond van geest zijn”.

    Dit artikel beoogt de bescherming van de geesteszieke tegen zijn eigen handelingen.

    In specifieke gevallen waarin ofwel de arts, ofwel de erfgenamen over ernstige elementen beschikken die de vereiste geestesonbekwaamheid op het ogenblik van het opstellen van het testament laten vermoeden kan de inzage van het medisch dossier, in het belang van de overleden patiënt zelf, aangewezen zijn.

    Alvorens indirecte inzage van het medisch dossier toe te staan is het voor de arts, samen met zijn provinciale raad, aanbevolen na te kijken of :

    • er ernstige elementen zijn om ervan uit te gaan dat het testament werd opgesteld op een ogenblik waarop de erflater niet over de vereiste geestesbekwaamheid beschikte;
    • de inzage van het medisch dossier de bescherming van de overleden patiënt tegen zijn eigen handelingen beoogt.

    De Nationale Raad verzoekt de provinciale raden de aanvragen tot inzage van het medisch dossier met het oog op testamentaire betwistingen geval per geval in overleg met de arts te beoordelen en daarbij het algemeen belang (bewaren van het geheim) af te wegen tegen het persoonlijke belang van de overleden persoon (het recht op bescherming tegen zijn eigen daden). Het patrimoniaal belang van de erfgenamen van de patiënt mag de arts niet beïnvloeden in zijn keuze.

  5. De inzage

    De Nationale Raad herhaalt zijn reeds in zijn advies van 19 juni 2004 ingenomen standpunten:

    • enkel de stukken die relevant zijn voor de gegeven motivering kunnen het voorwerp uitmaken van de inzage;
    • alle gegevens die betrekking hebben op derden zijn uitgesloten van inzage;
    • de erfgenamen beschikken niet over een recht op afschrift.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht