Skip to content

Anomalieën - Opvolgingsgedrag militaire geneesheren binnen de rijkswacht

Doc: a089002
Tijdschrift: 89 p. 11
Datum: 15/04/2000
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Anomalieën – Opvolgingsgedrag militaire geneesheren binnen de rijkswacht

In een brief aan de Nationale Raad verzet een vakbond er zich met klem tegen dat artsen met enkel militair statuut, zonder de Code van geneeskundige Plichtenleer opgesteld door de Orde der geneesheren te moeten respecteren, ingezet worden om de arbeidsgeneeskunde uit te oefenen ten opzichte van het gedemilitariseerd personeel van de rijkswacht. Bijkomend wordt de vraag gesteld of een arbeidsgeneesheer ten opzichte van eenzelfde personeelslid van de rijkswacht tegelijkertijd ook behandelend arts kan zijn.
De betrokken vakbond maakt de briefwisseling die hij hierover met de directeur-generaal van het personeelsbeheer bij de rijkswacht voerde aan de Nationale Raad over.

Advies van de Nationale Raad van 22 januari 2000 :

Ingevolge uw adviesaanvraag van 4 oktober 1999, heeft de Nationale Raad tijdens zijn vergadering van 22 januari 2000 hieromtrent onderstaande opmerkingen geformuleerd :

- wat uw vraag betreft over de uitoefening van de arbeidsgeneeskunde binnen de rijkswacht door artsen met enkel militair statuut, stelt de Nationale Raad vast dat de rijkswacht sedert 1 januari 1992 geen deel meer uitmaakt van de krijgsmacht. Artikel 13, §3, van het K.B. van 27 maart 1998, volgens hetwelk de medische dienst van de krijgsmacht belast mag worden met opdrachten die verband houden met de arbeidsgeneeskunde en op basis waarvan de medische dienst van de krijgsmacht het medisch toezicht op het personeel van de krijgsmacht uitoefent onder militair gezag, kan ten deze dus niet worden toegepast.
Om de geneeskunde, in het bijzonder de arbeidsgeneeskunde, te beoefenen ten aanzien van het gedemilitariseerd personeel van de rijkswacht dienen ook legerartsen zich in te schrijven op de Lijst van de Orde der geneesheren. Deze artsen worden alsdan beschouwd als artsen die een medische bedrijvigheid uitoefenen "buiten" hun militair ambt en zijn voor deze medische activiteit onderworpen aan de Code van geneeskundige Plichtenleer;

- wat uw opmerking betreft over de onafhankelijkheid van de arbeidsgeneesheer die een personeelslid van de rijkswacht als patiënt heeft (zie uw brief van 27 september 1999 aan de directie personeelsbeheer van de rijkswacht), kan uit verschillende wettelijke bepalingen (1) afgeleid worden dat een arbeidsgeneesheer ten aanzien van dezelfde persoon niet tegelijkertijd arbeidsgeneesheer en behandelend geneesheer kan zijn.
Ook op deontologisch vlak acht de Nationale Raad het uitgesloten dat eenzelfde arts beide functies cumuleert ten aanzien van eenzelfde patiënt. Hiertoe dient art. 121, §§ 1 en 2, van de Code van geneeskundige Plichtenleer naar analogie toegepast te worden.

Bovenstaand advies wordt ook overgemaakt aan de provinciale raad die dezelfde adviesaanvraag aan de Nationale Raad doorstuurde.

Op 15 maart 2000 maakt dezelfde vakbond de reacties over die hij kreeg op bovenstaand advies van de Nationale Raad

1. van de heer A. DUQUESNE, minister van Binnenlandse Zaken. De minister is van mening dat militaire geneesheren, voor eventuele professionele of deontologische fouten in de uitoefening van hun functie binnen de rijkswacht, steeds verantwoording verschuldigd zijn binnen hun eigen hiërarchische structuur en derhalve dus niet onderworpen zijn aan de beslissingen van de Orde der geneesheren;
2. van de directeur-generaal van het personeelsbeheer bij de rijkswacht. Deze verwijst naar het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

Advies van de Nationale Raad aan de vakbond :

De Nationale Raad besprak in zijn vergadering van 15 april 2000 uw brief van 15 maart 2000 waarin u ons onder meer het commentaar bezorgt van de minister van Binnenlandse Zaken naar aanleiding van de opmerkingen die wij u meedeelden op 25 januari 2000.

De Nationale Raad gaat niet akkoord met het standpunt van de minister van Binnenlandse Zaken en dus de interpretatie die hij geeft aan sommige wettelijke bepalingen die de uitoefening van de geneeskunde door legerartsen buiten hun verrichtingen in het leger regelen.

Hoewel de militaire arbeidsgeneesheren binnen de rijkswacht nog steeds vallen onder het toepassingsgebied van hun eigen militair «statuut» (gewijzigd art. 11, § 3, van de wet van 2 december 1957), verrichten zij in het kader van hun opdrachten die verband houden met de arbeidsgeneeskunde een activiteit ten overstaan van een niet-militair personeelslid. De plichtenleer die deze artsen in deze situatie dienen te eerbiedigen is dan ook de door de Nationale Raad van de Orde der geneesheren opgestelde plichtenleer (2).

Dit artikel heeft betrekking op de legerartsen die het medisch toezicht uitoefenen «ten overstaan van het personeel van de krijgsmacht» (en dus niet ten overstaan van de rijkswacht) en die bijgevolg in dat geval onderworpen zouden blijven aan de militaire plichtenleer. (Artikel 13, § 3, vervangt inderdaad artikel 104, § 5, van het ARAB, dat uitdrukkelijk bepaalde dat de medische dienst van de krijgsmacht de arbeidsgeneeskundige dienst kon vervangen «voor het personeel van de krijgsmacht»).

De Nationale Raad bevestigt bijgevolg zijn brief van 25 januari 2000 waarin hij opmerkt dat de rijkswacht sedert 1 januari 1992 geen deel meer uitmaakt van de krijgsmacht en dat de legerartsen om de geneeskunde – in het bijzonder de arbeidsgeneeskunde – te beoefenen ten aanzien van gedemilitariseerd personeel ingeschreven dienen te zijn op de Lijst van de Orde der geneesheren (indien dit niet reeds gebeurd is), zoals geldt voor iedere arbeidsgeneesheer die werkzaam is in België. Deze artsen zijn bijgevolg de facto onderworpen aan de Code van geneeskundige Plichtenleer voor deze activiteit net als voor alle medische activiteiten verricht ten overstaan van niet-militaire patiënten.

Kopie van beide adviezen wordt gestuurd naar de minister van Binnenlandse Zaken.

(1) De Nationale Raad verwijst naar art. 25 van het K.B. van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk alsook naar de artikelen 33 en 34 van het K.B. van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. Deze artikelen bepalen uitdrukkelijk dat, in toepassing van art. 43 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers op het werk, de preventieadviseurs hun opdrachten vervullen in volledige onafhankelijkheid ten overstaan van de werkgever en de werknemers.
De artikelen 3, 5 en 7 van de wet van 28 december 1977 tot bescherming van de arbeidsgeneesheren maken melding van de technische en morele onafhankelijkheid van arbeidsgeneesheer.
Art. 148quater, al. 1, van het ARAB bepaalt dat de arbeidsgeneesheren in geen geval mogen nagaan of de aanwezigheid van de werknemers om gezondheidsredenen gegrond is. Zij mogen in dit verband wel contact opnemen met de behandelende geneesheer.
(2) Artikel 13, § 3, van het K.B. van 27 maart 1998 betreffende de Interne Dienst voor preventie en bescherming op het Werk (B.S. 31 maart 1998) voorziet uitdrukkelijk in de situatie van de medische dienst van de krijgsmacht (de legerartsen) die bepaalde opdrachten uitvoert die verband houden met de arbeidsgeneeskunde.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht