Skip to content

Aangifte kindermishandeling : de arts tussen wet en Code

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Aangespoord door de vele vragen van collega's, hebben de heer Holsters en professor Deneyer een brief opgesteld betreffende de wettelijke en deontologische bepalingen die de houding van de behandelende arts die vaststelt dat een minderjarige het slachtoffer is van seksueel geweld moeten leiden.
In zijn vergadering van 11 december heeft de Nationale Raad dit initiatief onderschreven en de voorgestelde tekst goedgekeurd.

Advies van de Nationale Raad :

AANGIFTE KINDERMISHANDELING : DE ARTS TUSSEN WET EN CODE

Vraag : Kan de behandelende arts van een minderjarige bij kindermishandeling aangifte doen van zijn vaststellingen of vermoedens ?

Vóór de invoering van het artikel 458bis [1] van het Strafwetboek (Sw) kon de arts zijn verplichting tot geheimhouding (art. 458 Sw) en zijn hulpverleningsplicht (art. 422bis Sw) enkel verzoenen door in ernstige gevallen een beroep te doen op de noodtoestand, waarbij het recht op fysieke en psychische integriteit van de minderjarige de bovenhand haalde ten opzichte van de geheimhoudingsplicht.

Volgens het artikel 458bis Sw kan de arts de procureur des Konings inlichten ingeval hij kennis heeft van ernstige misdrijven gepleegd op minderjarigen, mits aan drie voorwaarden wordt voldaan:
- zelf het slachtoffer te hebben onderzocht of in vertrouwen te hebben genomen;
- aanwezigheid van een ernstig en dreigend gevaar voor de psychische en/of fysieke integriteit;
- deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kunnen beschermen.

Deze drie voorwaarden maken dat het meldingsrecht vervat in de 458bis Sw een "ultimum remedium" blijft en impliceert dat de arts eerst zijn verantwoordelijkheid moet nemen door zelf hulp te verlenen of door zelf het initiatief te nemen om andere zorgverstrekkers in te schakelen bij de hulp.

De drie voorwaarden kunnen a posteriori getoetst worden door de rechter en, indien deze oordeelt dat niet aan de voorwaarden werd voldaan, bestaat er inbreuk op het artikel 458 Sw met mogelijke straf-, tucht- en civielrechtelijke gevolgen.

Deze mogelijke toetsing mag echter geen beletsel vormen om melding te doen van ernstige feiten in het belang van het kind : het gebiedt enkel voorzichtigheid.

De Code van geneeskundige plichtenleer neemt de ervaring van de dagelijkse praktijk mee in artikel 61[2] .
Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen een vermoeden en de vaststelling van kindermishandeling. De Code noopt de arts bij een vermoeden van mishandeling van een kind tot voorzichtigheid door hem te doen opteren voor de inschakeling van een voor die problematiek opgerichte specifieke voorziening. Indien een arts vaststelt dat een kind in ernstig gevaar verkeert dient hij onmiddellijk het nodige te doen om het kind te beschermen. Indien het gevaar dreigend is en er geen andere middelen zijn om het kind te beschermen, kan de arts de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.

Er dient ook te worden opgemerkt dat de Code (art. 61, § 2) [2] bepaalt dat voor de door ziekte, handicap of leeftijd weerloze patiënten, die mishandeld, misbruikt of ernstig verwaarloosd worden, analoge beschermingsmaatregelen als voor de minderjarige kunnen worden genomen.

Prof. dr. M. DENEYER

D. HOLSTERS
Voorzitter

[1] Artikel 458bis van het Strafwetboek luidt als volgt :

Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen.”

[2] Artikel 61 van de Code van geneeskundige plichtenleer (Gewijzigd op 16 november 2002) luidt als volgt :

Ҥ1. Als een geneesheer vermoedt dat een kind wordt mishandeld, seksueel wordt misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd dient hij te opteren voor een multidisciplinaire benadering zoals bijvoorbeeld de inschakeling van een voor die problematiek opgerichte specifieke voorziening.

Indien een geneesheer vaststelt dat een kind in ernstig gevaar verkeert dient hij onmiddellijk het nodige te doen om het kind te beschermen. Indien het gevaar dreigend is en er geen andere middelen zijn om het kind te beschermen, kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.

De ouders of de voogd van het kind zullen door de geneesheer geïnformeerd worden over zijn bevindingen en de initiatieven die hij wenst te nemen tenzij dit de belangen van het kind kan schaden.

Alvorens om het even welk initiatief te nemen, dient de geneesheer voorafgaandelijk met het kind te overleggen in de mate dat zijn onderscheidingsvermogen dit toelaat.

§2. Als een geneesheer vermoedt dat een door ziekte, handicap of leeftijd weerloze patiënt wordt mishandeld, misbruikt of ernstig wordt verwaarloosd zal hij, indien de verstandelijke mogelijkheden van de patiënt dit toelaten, zijn bevindingen met de patiënt bespreken. De geneesheer  zal de patiënt ertoe aansporen zelf de nodige initiatieven  te nemen, zoals onder meer het informeren van zijn naaste verwanten.

Indien deze bespreking met de patiënt niet mogelijk is, kan de behandelend geneesheer met een ter zake bevoegde collega overleggen aangaande diagnostiek en benadering van de problematiek.

Indien de patiënt in ernstig gevaar verkeert en er geen andere middelen zijn om hem te beschermen, kan de geneesheer de procureur des Konings in kennis stellen van zijn bevindingen.

De geneesheer zal de naaste verwanten in kennis stellen van zijn bevindingen en de initiatieven die hij wenst te nemen om de patiënt te beschermen indien dit de belangen van deze laatste niet schaadt.”

 

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht