Skip to content

Code van geneeskundige plichtenleer

Laatste aanpassing : februari 2014

- artikel 168

TITEL III : De arts ten dienste van de gemeenschap

TITEL IV »« TITEL II

Hoofdstuk II : Preventieve geneeskunde

Hoofdstuk III »« Hoofdstuk I
Art. 104
01/01/1975

Elke arts moet, ongeacht zijn medische activiteiten, naast het louter curatieve karakter ook rekening houden met het preventieve en educatieve aspect van zijn taak.

Art. 105
01/01/1975

Binnen de in artikels 55 tot 70 vastgelegde grenzen van het beroepsgeheim moet de arts, in het belang van zijn patiënten, actief samenwerken met zijn collega's die aan preventieve geneeskunde doen en hun medewerkers.

Art. 106
01/01/1975

Bij een medisch-sociale consultatie mag de behandelende arts met de toestemming van de betrokkene, aan de arbeidsgeneesheer of aan de arts van het medisch schooltoezicht, gegevens verstrekken die hij voor zijn patiënt nuttig acht.

Art. 107
01/01/1975

Artsen werkzaam in centra of instellingen voor preventieve geneeskunde zijn gebonden door de bepalingen van onderhavige Code.

Art. 108
01/01/1975

De arts, werkzaam in een centrum voor preventieve geneeskunde, of de arbeidsgeneesheer moeten alle nuttige resultaten overhandigen aan de arts aangeduid door de betrokkene; wanneer het een kind of een onbekwame persoon betreft, aan de arts aangeduid door de wettelijke vertegenwoordigers.

Art. 109
01/01/1975

De arts van een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde mag slechts met de goedkeuring van de betrokken persoon en met inachtneming van het beroepsgeheim, een medisch dossier overmaken aan een verantwoordelijke practicus van een ander centrum voor preventieve geneeskunde.

Art. 110
01/01/1975

De arts, werkzaam in een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde mag, behoudens hoogdringende gevallen, geen zorgen toedienen in het kader van deze activiteiten. Wanneer hij een ziekte vaststelt, verzoekt hij de zieke beroep te doen op zijn huisarts of raadt hij hem aan een huisarts te kiezen.

Art. 111
01/01/1975

De arts verbonden aan een centrum of instelling voor preventieve geneeskunde mag van deze functie geen gebruik maken om zijn persoonlijk cliënteel of dat van één of andere verzorgingsinstelling uit te breiden.

Art. 112
01/01/1975

Overeenkomstig de beschikkingen van artikels 13 en 15, moeten de artsen betrokken bij de preventieve geneeskunde, ervoor waken dat de noodzakelijk verstrekte informatie nooit de indruk wekt als zouden de centra of instellingen voor preventieve geneeskunde over uitsluitende bevoegdheden en rechten beschikken op gebied van de één of andere tak van de geneeskunde.