Skip to content

Code van geneeskundige plichtenleer

Laatste aanpassing : februari 2014

- artikel 168

TITEL III : De arts ten dienste van de gemeenschap

TITEL IV »« TITEL II

Hoofdstuk V : Gerechtelijke geneeskunde

« Hoofdstuk IV
Art. 131
19/02/1994
> 1 vorige

(Gewijzigd op 19 februari 1994)

De arts die krachtens de wet van 15 april 1958 en van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte, wordt opgevorderd, dient de gevraagde bloedproef te verrichten. Hij mag zich aan deze verplichting slechts onttrekken :

  • wanneer hij een medische tegenindicatie tegen de bloedproef vaststelt of wanneer hij de redenen die de persoon aanvoert om zich aan de bloedproef te onttrekken, als gegrond erkent;

  • wanneer de betrokkene weigert zich aan de afname te onderwerpen. De bloedproef mag niet met geweld op de betrokkene worden toegepast;

  • wanneer de betrokkene één van zijn patiënten is, op voorwaarde dat de opvorderende overheid een beroep kan doen op een andere arts.

De opgevorderde arts moet altijd weigeren het klinisch formulier in te vullen of een klinisch oordeel te uiten nopens de staat van dronkenschap van de betrokkene, wanneer het één van zijn patiënten betreft.

Art. 132
01/01/1975

§1. In een overlijdensattest bestemd voor de burgerlijke stand, maakt de arts geen gewag van de doodsoorzaak. Hij moet niettemin de strook "statistieken" invullen, maar zal die zorgvuldig dichtkleven, om een eventuele schending van het beroepsgeheim te voorkomen.

§2. Hij is gemachtigd te verklaren of het een natuurlijke of gewelddadige dood betreft.
Indien hij zich niet kan uitspreken, zal hij in volle letters neerschrijven : "doodsoorzaak niet te bepalen".

Art. 133
01/01/1975

Behoudens opeising of bijzondere wettelijke bepalingen, kan een lijkschouwing alleen worden verricht wanneer er geen uitdrukkelijk of stilzwijgend verzet is geweest vanwege de patiënt of vanwege de naastbestaanden.

Art. 134
01/01/1975

De arts die een lijkschouwing verricht, zal tactvol en omzichtig handelen.
Hij moet de nodige maatregelen nemen opdat na de lijkschouwing, het lijk zodanig wordt getoond dat de gevoelens van de naastbestaanden geëerbiedigd worden.

Art. 135
01/01/1975

De gewone regels van het beroepsgeheim zijn van toepassing voor alle bij een lijkschouwing gedane vaststellingen.