Code van geneeskundige plichtenleer
Laatste aanpassing : januari 2013
TITEL III : De geneesheer ten dienste van de gemeenschap
TITEL IV »« TITEL IIHoofdstuk V : Gerechtelijke geneeskunde
« Hoofdstuk IV|
Art. 131
|
(Gewijzigd op 19 februari 1994) De geneesheer die krachtens de wet van 15 april 1958 en van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcoholgehalte, wordt opgevorderd, dient de gevraagde bloedproef te verrichten. Hij mag zich aan deze verplichting slechts onttrekken :
De opgevorderde geneesheer moet altijd weigeren het klinisch formulier in te vullen of een klinisch oordeel te uiten nopens de staat van dronkenschap van de betrokkene, wanneer het één van zijn patiënten betreft. |
|
Art. 132
01/01/1975
|
§1. In een overlijdensattest bestemd voor de burgerlijke stand, maakt de geneesheer geen gewag van de doodsoorzaak. Hij moet niettemin de strook "statistieken" invullen, maar zal die zorgvuldig dichtkleven, om een eventuele schending van het beroepsgeheim te voorkomen.
§2. Hij is gemachtigd te verklaren of het een natuurlijke of gewelddadige dood betreft. |
|
Art. 133
01/01/1975
|
Behoudens opeising of bijzondere wettelijke bepalingen, kan een lijkschouwing alleen worden verricht wanneer er geen uitdrukkelijk of stilzwijgend verzet is geweest vanwege de patiënt of vanwege de naastbestaanden. |
|
Art. 134
01/01/1975
|
De geneesheer die een lijkschouwing verricht, zal tactvol en omzichtig handelen. |
|
Art. 135
01/01/1975
|
De gewone regels van het beroepsgeheim zijn van toepassing voor alle bij een lijkschouwing gedane vaststellingen. |
