| Doc: | a084037 |
| Tijdschrift: | 84 p. 33 |
| Datum: | 17/02/1999 |
| Origine: | NR |
| Thema's: |
|
Informatie/Documentatie
|
|
| << Terug | |
(Belgisch Staatsblad 6 februari 1999).*
Hieronder volgt een overzicht van een aantal artikelen uit de wet houdende sociale bepalingen van 25 januari 1999 die de Orde van geneesheren zouden kunnen interesseren.
[...]
Via een aanvulling van art. 9bis van de Wet op de Ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt het mogelijk gemaakt om samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen en diensten voor andere domeinen dan louter verzorgingsdomeinen op te richten.
"Immers, de ziekenhuizen kunnen samenwerken omtrent veel domeinen die niet strikt met verzorging te maken hebben, doch die zich veeleer op het organisatorisch en logistiek domein bevinden. Bovendien moet samenwerking inzake verzorging met een breed impact - en niet beperkt tot een bepaald domein - mogelijk zijn.
Een band met de gezondheidszorg zal evenwel steeds nodig zijn om een beroep te kunnen doen op de hier bedoelde rechtsfiguur. Bovendien dienen de samenwerkingsverbanden steeds in functie te staan van een betere organisatie van de gezondheidszorg en beperkt te worden tot aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren." (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 73).
De sociale programmawet legt de juridische basis om via netwerken van zorgvoorzieningen, zorgcircuits te organiseren voor welbepaalde doelgroepen.
Een "netwerk van zorgvoorzieningen" is "een geheel van zorgaanbieders, zorgverstrekkers, instellingen en diensten, die samen, voor een door hen nader te omschrijven doelgroep van patiënten en binnen een door hen te motiveren gebiedsomschrijving, één of meerdere zorgcircuits aanbieden, in het kader van een instellingsoverstijgende juridisch geformaliseerde samenwerkingsovereenkomst".
Een "zorgcircuit" is "het geheel van zorgprogramma's en andere zorgvoorzieningen, georganiseerd door middel van een netwerk, die de bedoelde doelgroep of subdoelgroep achtereenvolgens kan doorlopen".
Het systeem komt erop neer dat "voor een bepaalde doelgroep (bijvoorbeeld psychiatrische patiënten, geriatrische patiënten, kinderen) een netwerk van zorgaanbieders kan gecreëerd worden. Deze zorgaanbieders kunnen zowel individuele zorgverstrekkers, thuiszorgorganisaties, alternatieve verzorgingsvormen, ziekenhuizen enz. zijn.
Dergelijk netwerk organiseert dan, door middel van een instellingsoverstijgend geformaliseerd samenwerkingsverband, één of meerdere zorgcircuits. Op die manier worden geografische regio's, in functie van hun behoeften, gedekt door een geheel van netwerken.
De finaliteit van deze netwerken bestaat erin dat de patiënt, in het kader van een zorgcontinuüm, in de voor hem meest adequate zorgvoorziening de meest kwalitatieve zorg ontvangt.
Aan de Koning wordt de bevoegdheid gegeven om die doelgroepen aan te duiden waarvoor de zorg via een netwerk van zorgvoorzieningen moet aangeboden worden en welke categorieën van zorgaanbieders van het netwerk deel uitmaken.
De sanctie voor het niet-nakomen van de verplichting tot het aanbod van een samenhangend en complementair geheel zal erin bestaan dat bedoeld netwerk geen erkenning zal bekomen en evenmin in aanmerking zal komen voor financiering.
Tot slot wordt aan de Koning de bevoegdheid gegeven de bepalingen van de ziekenhuiswet geheel of gedeeltelijk van toepassing te maken op de netwerken en hun zorgcircuits" (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 74-75).
In de Ziekenhuiswet wordt een nieuwe notie "behoefte per wervingsgebied" ingevoerd. Hierdoor wordt het mogelijk om van de instellingen die een opname in de programmatie of een nieuwe erkenning of een verlen-ging van erkenning wensen te bekomen voor de bij K.B. aan te duiden functies, diensten, afdelingen, medische of medisch-technische diensten of zorgprogramma's, het bewijs te vragen dat bedoelde dienst, functie of zorgprogramma beantwoordt aan een zekere behoefte binnen een wervingsgebied dat nog bij K.B. nader kan omschreven worden.
De sociale programmawet voert in de Ziekenhuiswet een art. 70ter in dat, volgens de Memorie van Toelichting, een solide juridische basis moet geven om de ethische comités in ziekenhuizen bij K.B. te kunnen regelen (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 39).
In principe moet nog steeds ieder ziekenhuis beschikken over een plaatselijk ethisch comité maar de Koning kan de voorwaarden omschrijven waaronder, via een samenwerkingsakkoord tussen ziekenhuizen, één comité kan opgericht worden voor verschillende ziekenhuizen.
De opdrachten van het plaatselijk ethisch comité worden als volgt omschreven:
Na advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen zal nog bij K.B. bepaald worden hoe de comités moeten samengesteld worden en hoe ze dienen te werken.
In zijn advies bij het ontwerp van sociale programmawet stelde de Raad van State dat de "verplichting om een plaatselijk ethisch comité op te richten in ieder ziekenhuis thans reeds bestaat op grond van bepalingen van de bijlage bij het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, daarin ingevoegd bij koninklijk besluit van 12 augustus 1994. Tegen het laatstgenoemde besluit is evenwel een beroep tot vernietiging bij de Raad van State, afdeling administratie, ingesteld. Bovendien heeft de Raad van State, afdeling wetgeving, in zijn advies over het ontwerp dat tot het genoemde besluit heeft geleid, het ontbreken van de rechtens vereiste rechtsgrond vastgesteld" (Gedrukte Stukken, Kamer, GZ 1997-1998, nr. 1722/1, 180).
De Raad van State formuleerde verder volgende opmerkingen bij het ontwerp van art. 194 van de sociale programmawet:
Dit artikel voert de mogelijkheid in om, bij K.B., na advies van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, verstrekkingen en behandelingen te omschrijven die verplicht in het kader van een ziekenhuis dan wel daarbuiten moeten verricht worden.
*Deze nota werd opgesteld ter attentie van de leden van de Nationale Raad met het oog op het eventueel uitbrengen van een advies over bepaalde erin besproken onderwerpen.
M. Van Lil
Studiedienst Nationale Raad
17 februari 1999