| Doc: | a051017 |
| Tijdschrift: | 51 p. 48 |
| Datum: | 20/10/1990 |
| Origine: | NR |
| Thema's: |
|
| << Terug | |
Tijdens zijn vergadering van 20 oktober 1990 heeft de Nationale Raad zijn goedkeuring gehecht aan een model van samenwerking tussen huisartsen en specialisten. Dit model werd hem voorgelegd door de Provinciale Raad van Oost‑Vlaanderen.
Deze nota heeft ten doel de relatie huisarts ‑ specialist te verbeteren door het opstellen van een gedragscode, door beide disciplines als zinvol ervaren, om een leidraad te kunnen zijn daar waar in die relatie de meeste wrijvingen ontstaan, voornamelijk rond de hospitalisatie.
Definitie huisarts-geneeskundig handelen:
Definitie specialistisch‑geneeskundig handelen:
Er bestaat een onverenigbaarheid in het cumuleren van de taak van huisarts en specialist, ook tijdens de opleiding hiertoe.
Een optimale huisarts ‑ specialistrelatie kan verstoord worden wanneer een patiënt door beiden verzorgd wordt zonder medeweten van mekaar.
Enerzijds dient de huisarts het ganse spectrum van de integrale geneeskunde te beheersen dit ondanks zijn beperkte technische middelen. Hij coördineert, interpreteert alle eigen en specialistische bevindingen in het kader van de familiale, persoonlijke en systeemanamnese van elke patiënt. Hij is de spilfiguur in de gezondheidszorg.
Anderzijds legt de specialist zich toe op één systeem, één orgaan of één ziekte, dient hierover de meest uitgebreide kennis te bezitten en te blijven verwerven. Daar hij steeds meer weet over steeds minder zal hij zijn bevindingen per kerende ten dienste stellen van de "lijf‑arts" van de patiënt.
Goede geneeskunde is daarom meer dan ooit een harmonieus samengaan van beide disciplines.
Er kan geen sprake meer zijn van "mijn" patiënt, maar van "onze" patiënt: naast de "colloque singulier" dient ook tijd gemaakt voor "colloquia" tussen alle geneesheren die samen een patiënt volgens diens vrije keuze behandelen.
Uit wat voorafgaat vloeit voort dat beide groepen geneesheren rechten, plichten, bevoegdheden en beperkingen hebben: zij dienen bijgevolg een deontologische gedragscode te volgen.
Belangrijk in de relatie tussen huisarts en specialist is de manier van de bereidheid tot communicatie
Ook indien de patiënt zich rechtsreeks tot de tweede lijn gewend heeft, kan de huisarts de patiënt aanmoedigen toch gegevens tussen hemzelf en de specialist nopens hun beider bevindingen en anamnestisch dossier uit te wisselen.
Dit dient op niet geforceerde manier als een vanzelfsprekendheid met de patiënt vooraf of nadien besproken.
Deze keuze dient bepaald door medische factoren (arts), afgewogen tegen de vrije keuze van de patiënt. Steeds dient zijn rechtmatig belang te primeren boven alle andere.
De zieke zal door de huisarts begeleid worden in zijn vrije keuze van een specialist, behorend tot de aangewezen discipline.
Deze vallen in principe onder de persoonlijke, vertrouwelijke correspondentie. Het dossierbeheer van de huisarts valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid. Het weze herhaald dat de objectieve elementen uit het dossier rechtmatig opgeëist kunnen worden door de patiënt, doch dat alle protocols en door de geneesheer aangebrachte subjectieve elementen eigendom blijven van de arts, zodat hij soeverein kan beslissen of het nuttig is ook deze elementen te overhandigen aan de patiënt. Als objectieve elementen kunnen gelden: labo‑uitslagen, EKG‑ tracé, radiografie..., evenwel zonder de protocols ervan.
Het overhandigen door de huisarts aan de patiënt van brieven en/of geneeskundige verslagen door de specialist gericht aan eerstgenoemde, blijft dan ook een uiterst delicate zaak, eerder behorend tot de uitzondering dan tot de regel.
Vanzelfsprekend krijgt de huisarts binnen de kortst mogelijke tijd alle mogelijke verdere informatie om de behandeling voort te zetten.
N.B. Een specialist, geconsulteerd voor een technische prestatie, dient zich ten overstaan van de patiënt te onthouden van elke directe inmenging in de therapie van de behandelende arts. Ieder constructief advies is uiteraard welkom en wordt rechtstreeks aan de aanvragende arts gericht.
In principe blijven de regels dezelfde als in beide vorige situaties: goede geneeskunde impliceert immers het samengaan van de eerste en tweede lijn: ook zonder verwijzing doet de specialist er goed aan te informeren naar de huisarts, die liefst op de hoogte dient gebracht van zijn bevindingen; enkel bij formeel verzet hiertegen door de patiënt, dient de specialist deze wil te respecteren en geen contact op te nemen met de behandelende huisarts;
een speciale situatie is de automatisch bijgeroepen pediater na een bevalling. Deze dient zich achteraf aan de huisarts als dusdanig bekend te maken met een evaluatie‑verslag van de neonatus;
wanneer een patiënt ingeschakeld is in een klinische studie is het evident dat alle behandelende artsen (huisarts + specialist) elkaar hiervan op de hoogte houden.
Begripsomschrijving:
Primaire preventie: het nemen van een brede waaier van maatregelen ter voorkoming van ziekte.
Secundaire preventie: het opsporen van specifieke pathologie, al dan niet binnen risicogroepen.
Tertiaire preventie: bij aanwezige pathologie verdere evolutie trachten te voorkomen en eventueel een revalidatieprogramma uitbouwen.
Primaire en secundaire preventie zijn naar uitvoering toe bij voorkeur een huisartsenopdracht.
Specialisten komen enkel tussen in logistieke steun, wetenschappelijk advies aan de huisarts of als geconsulteerde tweede lijn.
Tertiaire preventie biedt de ideale mogelijkheid tot constructieve samenwerking tussen huisarts en specialist.
Mag noch voor de huisarts noch voor de specialist een aanleiding zijn tot het ronselen van patiënten.
Attesten voor arbeidsongeschiktheid zullen bij voorkeur door de huisarts afgeleverd worden, al dan niet op suggestie van de tweede lijn, aangezien vaak enkel de huisarts een totaalbeeld kan hebben van de zieke in zijn arbeidssituatie.
Huisartsen dienen ook zoveel mogelijk vertegenwoordigd te zijn binnen alle instanties waar samen met specialisten en andere gezondheidsverstrekkers aan gezondheidszorg gewerkt wordt.
Een apart probleem vormen de one‑day‑clinics, waar de huisarts werkelijk in nauwe dialoog met zijn collega‑specialist vooraf afspraken dient te maken voor een goede samenwerking.
Het inschakelen van huisartsen in een ziekenhuisteam, zoals permanente wachtdiensten en poortwacht, assistentie chirurgie al dan niet onder vorm van een klinisch medewerker, kan tot ondeontologische situaties aanleiding geven.
Huisartsen en specialisten hebben elk hun eigen bevoegdheden en dus ook beperkingen. Vanuit hun eigen benadering van de zieke en ziekte dienen zij te streven naar een harmonieus samengaan van beide disciplines.
Werken aan een betere relatie huisarts ‑ specialist in een geest van collegialiteit en wederzijds respect, beoogt uiteindelijk wat steeds centraal dient te staan: het nastreven van het rechtmatig belang van de patiënt en het dienen van de zieke mens.