| Doc: | a053015 |
| Tijdschrift: | 53 p. 37 |
| Datum: | 11/05/1991 |
| Origine: | NR |
| Thema's: |
|
| << Terug | |
In september 1990 verzochten twee Provinciale geneeskundige commissies de Nationale Raad om verduidelijkingen in verband met de interpretatie die gegeven dient te worden aan de artikelen 12, 14, 15 en 16 van de Code van geneeskundige Plichtenleer.
Nadat de Raad kennis genomen heeft van een uitvoerig advies van de Provinciale Raad van Antwerpen "Geneesheren en reclame" en nadat hij de vroeger uitgebrachte adviezen (Tijdschrift nr.36) opnieuw doorgenomen heeft, beslist hij de tekst van de Provinciale Raad van Antwerpen als antwoord te zenden.
De Provinciale Raad wenst opnieuw deontologische richtlijnen te publiceren met betrekking tot deze materie.
Hiervoor steunt hij op de volgende documenten:
De Provinciale Raad wenst er de aandacht op te vestigen dat hij bij de eventuele disciplinaire toepassing van de richtlijn en verder rekening zal houden met de vormelijke aspecten van de mededelingen en publikaties, en dat hij bovendien zeer speciaal zal toezien op het inhoudelijk aspect van de informatie, met name de relevantie en de kwaliteit ervan: de geneesheer is ten volle verantwoordelijk voor vorm en inhoud van zijn informatie, die het publiek werkelijk moet dienen.
‑ Alvorens zijn medewerking aan de media te verlenen, zal de geneesheer de Provinciale Raad schriftelijk of telefonisch verwittigen. Zulks betekent niet dat hij hiervoor toestemming moet vragen, doch moet het de leden van zijn raad mogelijk maken de uitzending op radio of TV te volgen of kennis te nemen van de publikatie in de geschreven pers. De Provinciale Raad zal oordelen of de geneesheer, die deze verplichting in bepaalde omstandigheden eventueel niet naleefde, voldoende gegronde redenen hiertoe had.
‑ De geneesheer zal het publiek, met de nodige bescheidenheid, eerlijk, duidelijk en objectief informeren. Hij zal vermijden paniek te zaaien of valse hoop te wekken.
‑ De geneesheer zal zijn medewerking aan de media slechts verlenen onder de strikte voorwaarden van het eerbiedigen van het beroepsgeheim en zal erop toezien dat zijn medewerking er niet in bestaat individuele raadplegingen te houden.
Met de actuele informatiemogelijkheden kan de geneesheer moeilijk anoniem blijven.
Drie mogelijkheden kunnen zich voordoen:
De ervaring heeft bewezen dat het onontbeerlijk is met de journalist voorafgaandelijk een overeenkomst te treffen, die voldoende waarborgen biedt voor het respecteren van hoger vermelde richtlijnen.
In die zin is het dan ook wenselijk dat de geneesheer voorafgaandelijk kennis neemt van de vorm en de inhoud van hetgeen de journalist zal publiceren. Indien zulke overeenkomst niet mogelijk is of indien de geneesheer gegronde twijfels heeft over de betrouwbaarheid van de journalist of van het medium waaraan hij zijn medewerking verleent, dient de geneesheer van elke medewerking af te zien.
Indien zulke overeenkomst niet geëerbiedigd wordt door de journalist, zal de betrokken geneesheer op krachtdadige wijze schriftelijk protest aantekenen en dient hij de Provinciale Raad hierover in te lichten. De aan persartikels eventueel toegevoegde fotografische documenten, en inzonderheid betreffende de geneesheer geïnterviewde of auteur van het persartikel, kunnen door de Provinciale Raad slechts aanvaard worden mits de regels van waardigheid, kiesheid en bescheidenheid strikt gerespecteerd worden.
Tenslotte betreffende geneesheren werkzaam in verzorgingsinstellingen, zal de Provinciale Raad een passieve houding, vanwege de individuele geneesheer of vanwege zijn medische raad, tegenover de directie, die hen zou betrekken in een wettelijk of deontologisch ongeoorloofd initiatief in de media, als vatbaar voor een disciplinair onderzoek beschouwen.