Skip to content

Adviserend geneesheer van het ziekenfonds - Medische fouten

Doc: a056007
Tijdschrift: 56 p. 31
Datum: 15/02/1992
Origine: NR
Thema's:
Overzicht

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht

Adviserend geneesheer van het ziekenfonds - Medische fouten

Een provinciale raad verzoekt de Nationale Raad om inlichtingen betreffende de rol die men de adviserend geneesheer van het ziekenfonds wil toekennen in het opsporen van medische fouten.
Artikel 76 quater §2 van de Wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte‑ en invaliditeitsverzekering bepaalt dat een rechthebbende een tegemoetkoming van de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering kan eisen voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, voor hetwelk (welke) hij een schadeloosstelling verkregen heeft of kan verkrijgen krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht. In het laatste geval kan het gaan om vergoedingen die uitgekeerd worden op basis van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van een geneesheer. In dit geval treedt de verzekeringsinstelling rechtens in de plaats van de rechthebbende.
De provinciale raad vraagt nu "of een adviserend geneesheer van het ziekenfonds in deze context de wettelijke bevoegdheid heeft om aan de geneesheer de nodige medische informatie over een patiënt te vragen of zelfs van die geneesheer die informatie te eisen, waarmee de adviserend geneesheer zijn ziekenfonds de elementen dan kan verschaffen teneinde schade aan die patiënt door onrechtmatige daad van die of van een andere geneesheer voor de rechtbank te bewijzen."

De Raad neemt kennis van de documenten van de provinciale raad, van een nota van de studiedienst van de Raad en van het ontwerp‑antwoord opgesteld door de commissie die gelast was dit probleem te bestuderen. Na enkele wijzigingen wordt het ontwerp‑ antwoord goedgekeurd.

Advies van de Nationale Raad:

De Nationale Raad heeft in zijn vergadering van 15 februari 1992 het verslag gehoord van de Commissie "Taken van de adviserend geneesheer van het ziekenfonds" i.v.m. uw schrijven van 14 mei 1991.

De Raad heeft volgend advies goedgekeurd:

Refererend aan art. 87 en 104 van de Z.I.V.‑Wet van 9/8/63, aan art. 19 en 21 van het K.B. nr. 35 van 20/7/67(*) en aan art. 58 van de Code van geneeskundige Plichtenleer, kan betreffende de adviserend geneesheer van een ziekenfonds het volgende vooropgesteld worden:

  1. De adviserend geneesheer heeft tot taak in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidsverstrekkingen.

  2. De beslissingen van de adviserend geneesheer zijn bindend voor de verzekeringsinstellingen.

  3. Het is de adviserend geneesheer verboden aan de administratieve overheid van zijn verzekeringsinstelling de overwegingen van geneeskundige aard mede te delen die de door hem genomen beslissingen motiveren.

  4. In uitvoering van deze wettelijke opdracht van controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidsverstrekkingen heeft de adviserend geneesheer het recht aan de behandelend geneesheer de nodige medische informatie te vragen om zijn beslissing mogelijk te maken.

  5. In het kader van die controle verstrekt de behandelend geneesheer aan de adviserend geneesheer de medische gegevens over de verzekerde, die nodig zijn binnen de perken van de medisch‑sociale raadplegingen. De behandelend geneesheer oordeelt in geweten of hij door het beroepsgeheim toch niet wordt verplicht bepaalde gegevens niet mede te delen.

Volgens de geciteerde wettelijke en deontologische beschikkingen is de adviserend geneesheer het eindpunt van de medische informatiestroom. Derhalve mag de adviserend geneesheer geen enkele medische informatie, met welke bedoeling ook, overmaken aan de administratieve, juridische of enige andere dienst van de verzekeringsinstelling.

In het kader van de toepassing van art. 76 quater van de Z.I.V. Wet van 9/8/63 kan de adviserend geneesheer aan de behandelend geneesheer inlichtingen vragen over medische acten door deze laatste bij een verzekerde uitgevoerd. De adviserend geneesheer begaat een deontologische fout, indien hij in dat kader aan de behandelend geneesheer inlichtingen vraagt betreffende medische acten uitgevoerd door een andere geneesheer.
De geneesheer kan alleen antwoorden op vragen die zijn eigen medisch handelen betreffen.

De adviserend geneesheer begaat een deontologische fout, indien hij bij het verzoek om inlichtingen aan de geneesheer in voorkomend geval niet uitdrukkelijk vermeldt dat de verstrekte medische gegevens diens eigen aansprakelijkheid in het gedrang zouden kunnen brengen. Wel ingelicht zijnde over die mogelijkheid is de geneesheer niet verplicht in te gaan op het verzoek van de adviserend geneesheer.

Handelend in uitvoering van art. 76 quater van de Z.I.V.‑Wet van 9/8/63 maakt de adviserend geneesheer zijn besluit over aan de administratieve overheid van zijn verzekeringsinstelling.
Ook in deze omstandigheden schendt de adviserend geneesheer het beroepsgeheim, indien hij de bekomen medische inlichtingen overmaakt aan de administratieve, juridische of enige andere dienst van zijn verzekeringsinstelling.

Het is de plicht van elke geneesheer, wanneer hij vaststelt dat zijn patiënt schade heeft opgelopen, die mogelijk verband houdt met een door hem uitgevoerde diagnostische of therapeutische act, zowel zijn verzekeringsmaatschappij als de betrokken patiënt tijdig en op passende wijze hiervan in te lichten. Dit impliceert geen fouterkenning.

De provinciale raden zijn gelast toe te zien op de naleving van deze deontologische richtlijnen van de Nationale Raad.
Mocht blijken dat de administratieve overheid van de ziekenfondsen haar adviserende geneesheren niet steeds als eindpunt van de medische informatiestroom zou erkennen, zal de Nationale Raad zich beraden over de passende maatregelen.

(*)K.B. houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben hij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte‑ en invaliditeitsverzekering.

Artikel 21 van het Koninklijk Besluit van 20 juli 1967:

Het is de adviserend geneesheer verboden aan de administratieve overheid van zijn verzekeringsinstelling de overwegingen van geneeskundige aard mede te delen die de door hem genomen beslissingen motiveren.

Artikel 58 van de Code van Plichtenleer:

Binnen uitdrukkelijk vastgelegde perken, gelden wettelijke uitzonderingen voor de hierna opgesomde gevallen. De geneesheer moet in geweten oordelen of hij door het beroepsgeheim toch niet wordt verplicht bepaalde gegevens niet mede te delen.

a. Het verstrekken van inlichtingen, in het kader van de wetgeving op de ziekte‑ en invaliditeitsverzekering, aan de geneesheren‑inspecteurs van de dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, in zoverre die inlichtingen noodzakelijk zijn voor hun controleopdracht en binnen de perken ervan blijven.
Het verstrekken van deze inlichtingen en het aanwenden ervan door de geneesheren‑inspecteurs zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het beroepsgeheim.

b. Het verstrekken van inlichtingen of medische gegevens over de verzekerde, aan de geneesheren‑adviseurs van verzekeringsinstellingen tegen ziekte en invaliditeit en binnen de perken van de medisch‑sociale raadplegingen. De geneesheer‑adviseur van een verzekeringsinstelling is, zoals elke andere geneesheer gebonden door het beroepsgeheim; hij moet aan die instelling uitsluitend zijn besluiten op administratief vlak mededelen.

c. De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van overdraagbare epidemische ziekten, overeenkomstig de modaliteiten en voorwaarden in de wet vastgelegd.

d. De aangifte aan gezondheidsinspecteurs van geslachtsziekten, overeenkomstig de wetgeving inzake de voorkoming van deze ziekten.

e. De aangifte, binnen de drie dagen, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, van de geboorte waarhij bij tegenwoordig is geweest en die niet door de vader of door andere personen die bij de bevalling tegenwoordig waren, zou zijn aangegeven.

f. De afgifte van reglementaire geneeskundige getuigschriften nodig voor de aangifte van werkongevallen met vermelding van alle indicaties die rechtstreeks in verband staan met het oorzakelijk trauma.

g. Het afleveren van medische getuigschriften, in uitvoering van de wettelijke voorschriften inzake collocatie.

« Vorige 

 Volgende »

Overzicht